BRYAN (FERRY) AT THE RITZ

bryan-ferry-another-time-another-place-sleeve-70s-1024x1013Als ik in Londen aankom zijn ze net bezig de hoesfoto van Bryans nieuwe langspeelplaat in afmetingen van zes bij drie meter op de reclameborden te plakken. Tegenover het eindstation van het vliegveld Heathrow, aan Cromwell Road bijvoorbeeld.
Ook sommige dubbeldekker bussen dragen, in dit geval minder dan levensgroot natuurlijk, de afbeelding van de man in de witte smoking, met de rode sjerp om het middel en met de eeuwige St. Moritz sigaret, ver afgebrand tussen de vingers. De sigaret met de gouden rand, die in de reclames de slagzin “ring of luxury” heeft meegekregen. Bryan rookt ze in kettingen. Achter hem strekt zich een onnatuurlijk blauw zwembad uit en aan de rand daarvan, aan de overkant, houden zich enkele vage, maar onmiskenbaar welgestelde lieden op.
Ik begrijp dat Bryan een nieuw stadium in zijn carrière heeft bereikt en aangeland is op een trede van de ladder die hem onbereikbaarder maakt. Een ander sociaal niveau:

oh, you’re so chic
teenage rebel of the week.

Bryan heeft maar één obsessie, ster worden. “De rock heeft maar zelden een zanger gekend die zo toegewijd en zo zelfbewust geobsedeerd is door het mechanisme van de pop en de werking van het sterrendom als Bryan Ferry,” schreef Dave Marsh onlangs in Rolling Stone. En Bryan is niet alleen getalenteerd, maar ook nog eens intelligent en buiten dat heeft hij de juiste opleiding achter de rug. Een kunsthistorische. Hij kent de geschiedenis, kent de functie die de pop daarin heeft en kent de waarde van het image. De zestiger jaren zijn achter de rug en wat daarin creatief verricht werd, is uitgewerkt, verbleekt en net zo tot op de draad versleten als de kale jeans die nog uit dat tijdperk overgebleven zijn. The times they are a-changing again en Bryan is degene die ons het nieuwe decennium binnenleidt. Welberekend en stap voor stap. Trend-gevoelig en toch meer dan dat: richtinggevend. The answer my friend, is blowing in the wind en hij weet uit welke hoek de wind waait.
Als Bryan zingt geeft hij de meisjes het gevoel dat het eindelijk weer mogelijk is om hand in hand door het park te lopen in plaats van om door de nieuwe moraal gedwongen te zijn meteen met iemand naar bed te moeten. Hij is Mr. Heartthrob, El Ferrari, de prins van de neo-schmalz, maar prins in elk geval.
The times they are a-changing again en het is weer normaal om gewoon een goed boek te lezen en verachting te hebben voor wie slechts strips tot zich nemen. Tweeds verdringen het versleten denim, de kleermaker raakt weer in zwang, ten nadele van de confectie en een bezoek aan de kapper vervangt het zelf laten bijknippen van je lange haar door een willekeurige vriend. Kort haar is trouwens toch al preferabel, want iedereen draagt nu immers lang haar, tot ministers en politie-agenten toe.
Drugs zijn slecht voor je gezondheid en ze bevorderen de werking van je hersens niet. Een uitgelezen witte wijn of een glas champagne zijn op zijn tijd heel wat verkieslijker. Kortom de goede smaak krijgt weer de overhand en het is een goede smaak die de charmes van de slechte smaak door en door kent, want het verleden is niet onopgemerkt voorbij gegaan. Klasse en stijl, Bryan vertegenwoordigt ze en hij gaat daarin ver. Zelfs de ‘cloak of night’ is bij hem tailormade, ook al is hij van afkomst maar een eenvoudige Geordie uit Newcastle, die zich van zijn accent ontdeed door urenlang hardop Shakespeare en Milton te lezen.
Vorig jaar droeg Bryan nog een perspex polshorloge als hint van zijn hipheid. Nu is het een vierkant platgouden klokje, een nieuwe concessie aan het beeld van de High Style.

Hij resideert in The Ritz. De vergane glorie van dit eens zo beroemde hotel houdt zich met moeite staande in een omgeving die steeds meer naar afbraak neigt. Direct achter het postzegelachtige tuintje van The Ritz verheffen zich grote hijskranen boven een bouwput. Zonder twijfel zal hier weer een wolkenkrabber verrijzen van het soort waarvan er al zoveel als vierkante wachtposten uittorenen boven de stad Londen.
Een versleten gouden bureau’tje staat op sierlijk bewerkte poten voor het raam. Naast het bed ligt een industrieel antiek, gietijzeren plaatje met vier lila knopjes. Naast elk knopje staat in het engels én in het frans een type personeel gesmeed: boy/garçon, servant/valet; het ligt allemaal in de niet meer zo reële bedienden- en meiden-sfeer.
De twee bedden zijn veel te hoog en met een wonderlijk oud-roze bekleed. Op de vier hoeken staan hoge, koperen pilaren met knoppen: er is hier sprake van ledikanten. Bryan springt erop en eraf voor de fotografen. Hij draagt exact het pak van een fotosessie van een half jaar geleden, maar nu met de das van de binnenhoes van zijn nieuwe album. “Hallo, hoe gaat het ermee?” roept hij vrolijk zodra hij me in de gaten heeft, om daarna weer met verdubbelde ijver voor het camera-oog heen en weer te rollen, verzekerd van nog meer publiek.

Bryan levert al sinds negen uur ’s ochtends een slijtageslag met de pers; het ene interview na het andere, de ene foto na de andere. Het is nu drie uur in de middag en warm.
“Heb je mijn nieuwe soloplaat al gehoord?” vraagt Bryan, nog met een duidelijk entoesiasme.
“Jazeker”, zeg ik,”het is een mooie plaat.”
Bryan is niet erg tevreden met dit antwoord, dus ik voeg eraan toe: “Er staan drie of vier nummers op, die erg mooi zijn, maar ook wel een paar die een beetje te lang zijn, eigenlijk.”
“Zo, heb je dat ook gemerkt”, bromt Bryan.
“De vorige keer zei je dat je Sterling Morrison van de Velvet Underground zou aantrekken, omdat je hem de beste amateurgitarist ter wereld vond. Waarom heb je dat niet gedaan?”
Bryan leeft weer op en zegt: “ik gebruikte David O’List in plaats daarvan. Materiaal uit de eigen binnenlanden had de voorkeur. Homebread talent, my dear” en hij moet erbij lachen.
“De charme van de eerste plaat, de naiviteit is nu wel een beetje weg-gearrangeerd – deze is veel gladder.”
“Kijk, je moet het zo zien”, zegt Bryan, “dit is een de-luxe uitvoering van de eerste elpee”, en hij wacht op mijn reactie.
“En de nieuwe Roxy Music elpee?”
“Daar werken we aan met meedogenloze efficiëntie!”

De luxe, meedogenloos, het klinkt alsof het vandaag al voor de honderdste keer uit zijn mond rolt en het klinkt vervelend. De vorige keer was “meedogenloos” nog een lelijk woord (“Ze noemen me meedogenloos, maar het is niet waar, ik ben alleen maar eerlijk”); nu is het een epitheton ornans geworden.
“Heb je MacKay’s solo-elpee al gehoord”, mompel ik verveeld.
“Nee”, zegt Bryan.
“Dat kun je ook maar beter niet doen”, zeg ik en natuurlijk is dit slecht en fout van mij. Ondanks alle dodelijke rivaliteit is Andy toch Bryans makker en ze hebben elkaar nu net in de studio weer een beetje gevonden bij de opnamen voor Roxy’s komende album, dat toch het meesterwerk van dit jaar moet worden.*)
“Nou, je weet best dat hij een heel goed muzikant is”, zegt Bryan verdedigend.
Toch heeft de goedkope toets die ik indruk nog uitwerking, want Bryan voegt er met een licht verbitterde ondertoon aan toe: “ik zag trouwens wel dat hij precies dezelfde muzikanten op zijn plaat gebruik als ik op de mijne.”
Stilte.

Bryan zit verstolen te loeren naar de in een imitatie-diamanten hart gevatte “E” die op mijn smetteloos witte revers prijkt. Straks zal dit waarschijnlijk de aanleiding voor hem zijn om mij een glanzend nieuwe badge met zijn profiel erop in de hand te drukken. Het is nog steeds warm en de stemming zakt met het ogenblik. De fotograaf loopt hinderlijk klikkend om ons heen, wat het gesprek doet stokken en de bewegingen tekens bevriest.
“Bryan, je maakt wel enorm veel de laatste tijd, ik bedoel vier albums in nauwelijks meer dan een jaar, dat is krankzinnig.Ik vraag me af…”
“Ja, dat vraag ik me ook wel eens af”, onderbreekt Bryan snel. De omgeving van de Ritz dringt zich op en daarmee de notie dat het eigenlijk niet zo chic is om zo hard te werken.
“You know”, voegt hij er dan ook na enkele ogenblikken aan toe, “ik zou natuurlijk wat meer tijd vrij moeten maken om op het tennisveld door te brengen of om bij the pool, het zwembad rond te hangen.” Bryan is zo goed in poses, dat hij soms vergeet dat het een pose is. Ik schaam me voor zijn goedkope uitlatingen. De cliché’s verliezen met het ogenblik meer hun allure en dit is een dieptepunt.
Scott Fitzgerald laat Nick Carraway op een soortgelijke uitlating van Gatsby de volgende, ook op de onderhavige situatie van toepassing zijnde regel bedenken: ‘Deze zinnen waren zo tot op de draad afgesleten, dat zij geen ander beeld opriepen dan dat van een met een tulband getooid ‘type’ dat zaagsel strooiend uit iedere porie, een tijger achterna zit in het Bois de Boulonge.’
Maar dan: Scott Fitzgerald is Bryans lievelingsauteur en Gatsby is zijn favoriete karakter en in zijn overmoed vond Bryan onlangs zelf, dat hij de rol van Gatsby heel wat beter had kunnen spelen dan Robert Redford, die hij ook nog eens een nietsnut noemde. En zo klopt alles dus toch weer.

“Zo, je gaat dus vanavond naar het concert van The Sparks,” zegt Bryan onverwacht en plotseling wordt het beeld compleet. Hier zit iemand die zonder twijfel tot de besten en de intelligentsten behoort die de popmuziek ooit heeft opgeleverd en die er toch de tekenen van vertoont net zo onderworpen te zijn aan de alles verslindende machinerie van het succes als elke, veel minder tot relativeren in staat zijnde ster vóór hem. Die de top van zijn kunnen nog niet eens bereikt heeft en toch al bang is voor ‘last year’s fab rave’ aangezien te worden. Die steeds harder moet rennen omdat hij de hete adem van wat nieuwer, sensationeler en vooral jonger is, al in zijn nek denkt te voelen.
De popmuziek is een rat-race en zelfs de besten ontkomen daar blijkbaar niet aan.

With every goddess a let down
Every idol a bring down
It gets you down

zingt Bryan in het onvergetelijke Mother Of Pearl. En inderdaad, soms kan dat heel deprimerend zijn.

Juli 1974

*)Country Life

Originally published in De Volkskrant

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

1 Reactie op BRYAN (FERRY) AT THE RITZ

Toon Reacties (1)

Geef een reactie