PRESENTATIE HET HETEROGEEN, inleiding

 Woensdag 6 februari was de presentatie van mijn laatste bundel Het Heterogeen, zoals al jaren de gewoonte is bij De Eerste Bergense Boekhandel in mijn geboortedorp. Voor wie er niet bij aanwezig was en er toch iets over wil weten: bij deze plaats ik mijn inleiding op de bundel en op de persoon van Kees Verheul (zie foto) die het rituele eerste exemplaar in  ontvangst nam en vervolgens een meesterlijke (en geestige!) speech improviseerde op het verschijnsel ‘eerste boek’ en over mijn poëzie.

‘Mijn dichterlijke heterogeen heeft inhoudelijk gezien betrekking op de drie verschillende poëzievormen die ik hier opvoer.
De eerste is die van het klassieke sonnet, dat, zo is mij gebleken, in een moderne uitvoering een zeer krachtig instrument kan zijn, juist door de vorm strak te houden;
de tweede is het soort vrije, maar metrisch wel degelijk gebonden gehouden, gedichten en fragment-gedichten, zoals jullie die al vaker van mij hebt kunnen lezen;
en de derde ‘vorm’ is die van de vertaling, uit het Amerikaanse Engels van de belangrijke dichteres Amy Clampitt, die ik zelf goed gekend heb.
Algemeen gezien heeft ‘het heterogeen’ natuurlijk ook nog een maatschappelijke betekenenis. Hoe heterogener, hoe beter, is immers de opdracht van de huidige, op multiculturalisme gerichte, samenleving.’

Daarna las ik enkele gedichten voor.

‘Bij het voorlezen van de gedichten van Amy Clampitt realiseerde ik  mij opeens weer dat Kees Verheul en ik – én mijn uitgever Jaco Groot – de drie eersten in Nederland waren die begin jaren tachtig Amy Clampitt meteen herkenden als een ongekend talent.
Die bijzondere samenloop van omstandigheden heb ik al eens beschreven en daar wil ik nu een stukje van voorlezen.’
Het was 1983 en ik had net het manuscript van mijn bundel Strofen ingeleverd bij De Harmonie. Overigens – en dat voeg ik nu toe – was Strofen een stap in mijn ontwikkeling, die ook al te maken had met Kees Verheul, omdat hij me in contact bracht met Yossif Brodsky. En door de kennismaking met het werk van Brodsky leerde ik de waarde van het meer gebonden strofische vers kennen.

Ik citeer nu:’Mijn bundel was af, ik had tijd over en dus belde ik mijn vriend Kees, van wie ik altijd graag wil weten wat hij doet. “Waar ben je mee bezig?” “Ik ben net begonnen in een bundel van een nieuwe Amerikaanse dichteres.”

Mijn interesse was meteen gewekt: “Wie is het? Nooit van gehoord.” “Het is haar debuut.” “Hoe dik is het?” “Eens kijken, bijna 140 bladzijden.” Ik stond paf. Mijn eigen bundel was net ruim 60 pagina’s geworden. En dat voor een debuut. “Heeft zij ook afdelingen?” “Ik geloof het wel, ja, zes.” Hoe oud is ze?” “Dat zie ik nergens staan.”
Op dat moment wist ik dat ik dat boek, koste wat het kost, moest hebben. Ik belde onmiddellijk mijn uitgever, die van veel van wat er in de literatuur, juist ook de Engelstalige, gebeurt op de hoogte is en die bovendien via de importeur snel boeken kan bestellen, en begon hem uit te leggen: “Er is bij Knopf een poëziedebuut verschenen van een dichteres die me interesseert…” “Amy Clampitt soms” onderbrak hij me. Ik keek op het blaadje waar ik alle gegevens van Kees op had neergeschreven en antwoordde in stomme verbazing: “Hoe wéét jij dat?” “Ik heb in de New York Review of Books een recensie van Helen Vendler over haar gelezen en daarop heb ik dat boek meteen besteld. Die zal Verheul ook wel gelezen hebben. Ik verwacht het over een paar dagen binnen te krijgen.”
Kees had mij niet over die recensie verteld, hoewel hij wel op de New York Review geabonneerd is, dus ik belde hem opnieuw. Nee, die bespreking had hij niet gezien en daar was hij nu juist heel benieuwd naar want hij schatte Helen Vendler als poëziecritica heel hoog.
Was het lang geleden? Ik wist het niet. Hij ging, tamelijk opgewonden nu ook, zoeken en belde me minder dan tien minuten later terug. Het blad met de recensie had hij in zijn prullenbak gevonden, waar hij het kort daarvoor, in een bui van mismoedigheid en en zoiets denkende als ‘wat doet het er ook allemaal toe’, ongeopend in had weggesmeten. Hij was opgelucht dat de prullenbak nog niet geleegd was.
De volgende ochtend had ik een fotokopie van de recensie in de bus. “Lieve Elly, ik ben blij dat ik het tussen de ongelezen oude kranten heb opgevist – een schitterend stuk over een bundel die ik steeds mooier begin te vinden. Lees het gauw en laat me je indruk weten.”
Weer een dag later had ik de bundel in handen. Mijn uitgever, Jaco, had hem ingezien en gedacht: “Daar doe ik maanden over” en hem mij meteen doorgestuurd.
Ik begon aan het eerste gedicht The Cove, en toen ik het uit had belde ik meteen weer Kees. ‘Dit is heel erg goeie poëzie!”
Niemand in Nederland, in Europa waarschijnlijk zelfs, was op de hoogte van het bestaan van deze nieuwe, grote dichteres, had ik het gevoel, uitgezonderd wij drieën, die nu door middel van een spannend soort poëtische samenzwering verbonden waren.’
[Bron: Lust & Gratie 7, Herfst 1985]
Later, toen Amy bij mij logeerde, ben ik met haar op bezoek geweest bij Kees in Amsterdam. Zij vond Kees een “man of letters”, een geletterde op vele fronten, zoals ooit in de Renaissance voorkwam.

Ik leerde Kees kennen in 1978, toen ik als dichter debuteerde – nu 19 bundels geleden – en er een interview met mij door Bibeb in Vrij Nederland stond. Via hem leerde ik de grote Russische dichter Yossif Brodsky kennen, met wie hij hij volkomen onverwacht een keer bij mij voor de deur stond.
Gebaseerd op ons gedeelde geboortejaar, 1940 (Kees in februari, Yossif in mei en ik in september), zag ik ons altijd  als een overdrachtelijk driemanschap, dat wat karakter betreft verenigd werd door het prachtig grillige en fantasierijke teken van de Chinese Draak.
1940 was in de Chinese astrologie het jaar van de draak.

Ik beschouw Kees als een van de bijzonderste mensen uit de Nederlandse literatuur. Niet alleen door zijn ongelooflijk fijnzinnige wijze van schrijven en beschrijven, om zijn enorme kennis van de internationale poëzie, door zijn sublieme essayistiek, of door zijn vele vertalingen uit het Russisch – maar ook door zijn bijzondere leven.
Hij promoveerde in Amsterdam op de poëzie van de grote Russische dichteres Anna Achmatova. Vanaf de jaren zestig bezocht hij al met regelmaat wat toen nog de Sovjet Unie was en hij was het die het manuscript van Nadezdja Mandelstams Memoires naar het Westen smokkelde, waar het boek vertaald werd (onder meer door hem) en gepubliceerd en wereldwijd opzien baarde.
Ik beschouw het nog steeds als een voorrecht om hem te hebben mogen vergezellen naar Moskou en Petersburg, waar ik de kring van Achmatova en Mandelstam heb leren kennen, en waar wij ook – vanuit Petersburg – het graf van Achmatova hebben bezocht, dat zich helemaal bovenaan in Rusland, tegen de Finse grens aan, bevindt.

Kees publiceerde een twintigtal titels, waaronder opstellen, essays, biografisch proza, maar ook de romancyclus De Tutcheffs, waarvan inmiddels twee delen verschenen zijn.
In deze roman heeft hij, op zo niet eerder gedane wijze, zijn eigen leven vervlochten met dat van een beroemde Russische dichtersfamilie uit de 19de eeuw.
Zijn liefde voor Rusland heeft hij daarmee als het ware de Russische literatuur zelf ingeschreven.
Geen wonder dat Kees Verheul in het grote en uitgestrekte Rusland een bekende en zeer gerespecteerde schrijver en geleerde is, terwijl hij in zijn minuscule geboorteland, dat over een even minuscuul geheugen beschikt, alweer bijna vergeten lijkt.
Maar het is niet om al deze redenen dat ik hem gevraagd heb om mij het plezier te doen om hier vandaag het eerste exemplaar van mijn nieuwe bundel in ontvangst te willen nemen – dat heb ik gedaan omdat hij mijn dierbaarste vriend is en ik enorm blij ben dat hij na een lange afwezigheid weer in staat is om zoiets te doen.

Elly de Waard

Foto: Astrid van den Berg

 

 

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

3 Reacties op PRESENTATIE HET HETEROGEEN, inleiding

Toon Reacties (3)

Geef een reactie