De ontwikkeling van een dubbeltalent

VAN GEEL EN HET SURREALISME

1.DE SCHILDER

Het dubbeltalent van Chris van Geel werd in de jaren dertig van de vorige eeuw gevormd door twee sterk van elkaar verschillende invloeden. Als schilder door het internationale surrealisme en als dichter – de poëzie is de meest koppig nationale van alle kunsten, zoals T.S. Eliot terecht opmerkte – door het Nederlandse Forum. Samen met de schrijver en fotograaf Emiel van Moerkerken behoorde hij tot de eerste jonge surrealisten van Nederland. Ook Van Moerkerken was een bewonderaar van Ter Braak en Du Perron. Ik noem ze speciaal de eerste jonge surrealistische kunstenaars, omdat, hoewel deze stroming internationaal zijn hoogtepunt bereikte tussen de jaren 1935 en 1940, er in Nederland weinig aandacht voor bestond. Er was wel een kleine, oudere generatie die door die stijl was aangeraakt. Daarvan is J. Moesman verreweg de bekendste.
Na zijn opleiding aan het Instituut voor Nijverheidsonderwijs in Amsterdam (1936) werd Chris van Geel lid van De Onafhankelijken, een groep beeldende kunstenaars die gericht was op het modernisme. Deze bestaat overigens nog steeds en is ook nog steeds aktief.
Tussen 1938 en 1942 nam Van Geel vijfmaal deel aan de groepstentoonstellingen van deze Onafhankelijken in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Daarbij waren van hem onder meer surrealistische tekeningen en ex-librisontwerpen te zien, evenals een aantal objecten en wat wij nu ‘situaties’ zouden noemen. Van de objecten is maar weinig bewaard gebleven. Het waren tot een betekenisvol geheel samengevoegde voorwerpen van allerlei aard, die voorzien werden van even betekenisvolle, vaak Franse namen. Ze waren gerelateerd aan de droomtheorie van Sigmund Freud en waren meestal sexueel te duiden. Dat we er nu nog een aantal van kunnen bekijken komt doordat Van Moerkerken er foto’s van maakte. De bekendste ervan is Jeunesse d’un Narcisse.
Van één geëxposeerde ‘situatie’ kennen we alleen het bestaan, doordat het zo’n ophef veroorzaakte dat het in de Telegraaf kwam. Het was de Bonten Voetzool om te Kussen. Het betrof hier inderdaad een bontzool voor een schoen. Een vriendin van Van Geel, Noortje Dekker, de dochter van de schrijver Maurits Dekker, zat naast de tentoongestelde zool en drukte er van tijd tot tijd een kus op. Ik geloof dat het kunstwerk verwijderd werd.
Van de eveneens geëxposeerde tekeningen en schilderijen was lange tijd niets bekend. Tot bij het uitzoeken van de nalatenschap opeens enkele mappen met dit werk opdoken. Hoewel veel van het papier was aangetast door brand en bluswater was er ook nog heel veel dat schoon te maken en te restaureren viel. Bij de tentoonstelling in Museum Kranenburgh in Bergen (2009) was dit werk voor het eerst te zien. Het vulde een hele zaal.

Ook een aantal surrealistische ‘situaties’ waarin Van Geel zelf een centrale rol speelt, is door Van Moerkerken vastgelegd. Ze hebben als decor het dak van het huis van grootvader Van Geel aan de Herengracht. Op de bovendieping had de jonge Chris toen een kamer. De zolder erboven gaf toegang tot de zolder van het aangrenzende huis waar een chirurg woonde of had gewoond. Deze lag vol met afgedankte medische instrumenten en hulpstukken, kunstogen, kunstarmen en benen enzovoorts, een schatkamer, kortom, voor jonge, aanstormende surrealisten. De ‘situaties’ en objecten die hiermee in scène gezet werden leverden een reeks van zeer bizondere foto’s op, waarbij Van Geel ook figureerde in enkele surrealistische ‘situaties’ van Van Moerkerken zelf. Bij de kunstwerken van zowel de schilder als de fotograaf werden steeds dezelfde op de zolder gevonden rekwisieten gebruikt, zoals onder meer een kapotte traliekooi.
In 1939 reisde Van Moerkerken met dit werk naar Parijs waar hij het aan André Breton liet zien. Breton was zeer geïnteresseerd en koos er enkele van Van Geel uit (‘remarquable’) voor publicatie in het toonaangevende tijdschrift voor moderne, surrealistische kunst, Le Minotaure.
Echter: het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verijdelde dit plan en de hele Minotaure verdween onder het gestamp van Duitse soldatenlaarzen. En niet alleen dit tijdschrift verdween. Je kunt eigenlijk zonder terughoudendheid stellen dat het hele artistieke leven van voor de oorlog ten onder ging. Inclusief de zo veelbelovend ogende surrealistische carrières van Van Geel en Van Moerkerken.

VAN GEEL EN FORUM

2.DE DICHTER

Van Geels ontwikkeling als dichter is naar mijn mening als volgt te schetsen. Als intellectueel was hij autodidact. Ik bedoel daarmee dat hij geen middelbare schoolopleiding had genoten. Hij ging na de lagere school naar het Instituut voor Nijverheidsonderwijs in Amsterdam en heeft zich door veel te lezen en de literatuur op de voet te volgen een letterkundige scholing bijgebracht. Hij zal daarbij geholpen zijn door zijn grootvader en mede-opvoeder, C.J. van Geel, die niet alleen journalist was bij het Handelsblad, maar die ook zelf literaire en zelfs poëtische aspiraties had.
Van Geel was een bewonderaar van de belangrijkste stroming in de letteren van de jaren dertig van de vorige eeuw, die rond het tijdschrift Forum. Hij was zelfs jeugdig bevriend met Forums voorman E. du Perron, die hij als een soort vader en een raadgever zag. Bij Forum stonden persoonlijkheid en integriteit in de kunst centraal en werd het l’art pour l’art principe, de vormesthetiek kortom, verworpen.
Vanuit zijn belangstelling voor en opleiding in de beeldende kunst kreeg Van Geel natuurlijk ook andere kunstopvattingen aangereikt. Die van het internationale surrealisme maakten daarbij op hem de meeste indruk. Hij werd diepgaand en blijvend beïnvloed door deze état d’esprit. Dat het surrealisme van oorsprong een literaire stroming was heeft bij die beïnvloeding wellicht ook een rol gespeeld.
Problematisch voor hem was dat de oprichters van Forum, Ter Braak en Du Perron, niets met het surrealisme op hadden. Du Perron had in zijn Parijse tijd in de jaren twintig wel kennis genomen van alle moderne stromingen die er waren en ook vrienden gemaakt onder diverse schilders en dichters, maar hij had daar in de jaren dertig afstand van genomen, misschien mede door de verslechterende politieke situatie in Europa.
In de poëzie was Forum ook ‘tegen’ bijvoorbeeld een groot dichter als J.H. Leopold, die blijkbaar te esthetisch werd geacht. Leopold was daarentegen, evenals Gorter dat was, een belangrijk voorbeeld voor Van Geel.
Stond Forum voor persoonlijkheid en rationaliteit, het surrealisme streefde naar de automatische en dus zo onpersoonlijk mogelijke spontaneïteit, naar de vrije associatie en de fantasie. Het irrationele was er kortom juist welkom.
Al voor de Tweede Wereldoorlog is Van Geel bezig geweest deze tweespalt in zijn favoriete richtingen te overbruggen door te willen zoeken naar een kunst die vrij en fatasierijk en associatief was, maar die gemaakt zou moeten worden door een in die kunst herkenbare persoonlijkheid en gekaderd binnen een rationeel te verdedigen geheel.
De oorlog heeft deze zoektocht onderbroken, net zoals de oorlog een gat sloeg in de ontwikkeling in de kunsten in Nederland in het algemeen. Waarom speciaal hier in Nederland? Ik denk doordat ons land buiten de Eerste Wereldoorlog was gebleven. In vrijwel heel Europa startten na de Eerste Wereldoorlog al modernistische bewegingen in de diverse kunsten. Hier in Nederland was daar voornamelijk zijdelings, dus meest via invloeden uit het buitenland, sprake van. Alleen “De Stijl” vormt hierop een belangwekkende uitzondering.
Ik denk dat je kunt stellen dat de Nederlandse kunsten, met name de schilderkunst en de poëzie, in dit opzicht achtergebleven waren in hun ontwikkeling in vergelijking met de rest van Europa. Vanuit deze achterstand zou te verklaren kunnen zijn hoe het komt dat de inhaalslag, die na de oorlog plaats vond in de vorm van de opkomst van Cobra en De Vijftigers, hier te lande zo’n verpletterende impact heeft gehad. Een grote rol daarbij heeft natuurlijk ook gespeeld dat de belangrijkste intellectuelen van voor de oorlog, de eerder genoemde Ter Braak en Du Perron, maar bijvoorbeeld ook een dichter als Marsman, al in 1940 waren overleden. De literatuur zoals die bestond had daarmee haar belangrijkste woordvoerders verloren. Zij lieten een leemte achter, waarin nooit meer goed is voorzien. De kleine generatie dichters die net tegen het einde van de jaren dertig gedebuteerd was, had in dit opzicht onvoldoende stem of bezat ook niet de wil om hier zelfbewust in op te treden. Ik denk daarbij aan Vasalis, Ida Gerhardt, Louis Lehmann en, de enige uitzondering: Bertus Aafjes. Vasalis heeft daartoe overigens later, in het tijdschrift Libertinage, ook een poging gedaan.
En ik denk aan Van Geel, die in 1939 en 1940 als redelijk succesvol surrealistisch kunstenaar aan diverse tentoonstellingen deelnam en in de belangstelling stond van André Breton, maar die zich als dichter pas voor het eerst presenteerde aan het eind van de oorlog. Overigens met maar een enkel gedicht in het tijdschrift Criterium. In hetzelfde tijdschrift debuteerde, ook in 1945, Leo Vroman.
Interessant bij dit alles is te constateren dat de generaties hier zo door elkaar lopen wat betreft leeftijd. Waren Ida Gerhardt en Vasalis respectievelijk in 1905 en 1909 geboren, Aafjes en Vroman zijn van 1914 en 1915, Van Geel en Louis Lehmann van 1917 en 1920. De Vijftigers Schierbeek en Elburg zagen in 1918 en 1919 het levenslicht. Kouwenaar en Lucebert zijn van 1923 en 1924. Ook Jan Emmens, die hoort bij wat ik nu maar de ‘klassiek-modernen’ zal noemen, is van 1924. Het is dus beslist niet zo dat er zich met De Vijftigers een nieuwe generatie aandiende. Wel een nieuwe stijl.
Met Ter Braak en Du Perron was overigens niet het hele Forum uitgestorven. Als gezaghebbend essayist was Vestdijk nog over en die heeft zich wel degelijk zinvol uitgelaten over de twee stromingen waarin de poëzie van na de oorlog is onder te verdelen, de modernen, onder aanvoering van Vijftig en de klassiek-modernen. Dit onder meer in zijn essaybundel Voor en na de Explosie uit 1960.

Zowel bij Cobra als bij Vijftig moet Van Geel gekampt hebben met een soort déjà vu gevoel. Kunstenaars van maar enkele jaren jonger dan hijzelf deden dingen, waarvan hij waarschijnlijk vond dat hij ze al eens eerder gedaan had. Of waar hij op zijn minst eerder mee bezig was geweest. Die hij wellicht zelfs zou hebben verworpen omdat ze mogelijk geen blijk gaven van de door hem gewenste ratio.

Ik neem aan dat de oorlog en de daaruit voortvloeiende verliezen, zowel op persoonlijk vlak – zijn grootvader stierf onder pijnlijke omstandigheden in de hongerwinter – als op professioneel niveau, ervoor gezorgd hebben dat het tot 1958 heeft moeten duren voordat de dichter Chr.J. van Geel eindelijk, maar wél met een heel omvangrijke bundel, naar buiten trad. Bijna twintig jaar had het hem gekost om de onverwachte wendingen die de geschiedenis had genomen te verwerken en om desondanks vorm te geven aan een poëzie die aan zijn al zo jong geformuleerde voorwaarden voldeed: wat vorm betreft vrij, wat inhoud betreft fantasierijk en associatief en min of meer gecontroleerd door de rede.
Toen Van Geel zich dan eindelijk naar de eisen van zijn eigen maatstaven had gepresenteerd, had hij, voor het eerst sinds vijftien jaar, weer tijd over voor de beeldende kunst. In een soort eruptie van werkdrift, vergelijkbaar met de ademloze periode van 1939 en 1940 waarin hij zich, na de ontdekking van het surrealisme op dit vlak uitleefde, maakte hij honderden tekeningen en schilderijen, meest van vogels in of met hun eieren. Via een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum (1961/62) onder directeur Willem Sandberg beleefde hij vervolgens in deze discipline van kunst ook zijn eigen inhaalslag. De tweespalt uit zijn jeugd was daarmee in principe geheeld.

Wat daarentegen niet geheeld was – en naar mijn idee nog steeds niet geheeld is – was het gat dat de oorlog geslagen had in het continuüm dat een literatuur, dat elke ontwikkeling wil zij verder kunnen, behoort te zijn.
Het klimaat waarin Van Geels eerste bundel Spinroc en andere verzen verscheen was dan ook niet onverdeeld gunstig voor deze, naar mijn idee op dat moment vernieuwende poëzie. Nog niet eerder had zich immers een nieuwe dichter aangediend die welbewust een synthese aanbood tussen het modernisme en de klassiekere vormen van verskunst.
De generatie die ik eerder met ‘klassiek-modernen’ aanduidde was op dat moment al vrijwel onzichtbaar geworden. Ida Gerhardt was een puur klassieke dichter gebleken, Louis Lehmann schreef midden jaren vijftig nog rijmende verzen, Leo Vroman was definitief een buitenlander en daarmee ook buitenstaander geworden. En Vasalis en Aafjes? Die hadden beiden al in het begin van de jaren vijftig hun lier aan de wilgen gehangen. Een heel merkwaardig verhaal dit. Beiden voelden zich kennelijk gedwongen hun eigen poëzie op te geven nadat zij zich in sterke en heel sterke (Aafjes in Elsevier) bewoordingen hadden uitgelaten over de poëzie van de Vijftigers. Merkwaardig ook omdat daaruit mag blijken dat de publieke opinie in die dagen al zozeer was gekeerd ten gunste van de vernieuwing dat kritiek daarop als onduldbaar werd beschouwd.
De revolutie van Vijftig was al heel snel uitgedraaid op een klinkende overwinning voor deze stijl en tegen het begin van de jaren zestig waren de dag- en weekbladen zover dat alle poëzierecensenten vervangen waren door protagonisten van de modernen. En geheel in Nederlandse traditie, waar de ideeënstrijd, of het nu de godsdienst of de kunsten betreft, altijd op het scherpst van de snede en met grote vernietigingsdrang wordt gevoerd, was er in deze categorie van de publieke voorlichting weinig waardering meer voor wat zich nog buiten een strikt modernisme aan poëzie aanbood. In de decennia daarop werden vervolgens ook de universiteiten geleidelijk aan bevolkt met een hooglerarenbestand dat ditzelfde evangelie predikt. In deze situatie bevinden wij ons nog steeds en er is dus werk aan de winkel.
Na meer dan een halve eeuw communis opinio is het tijd om de tweede stroming in de poëzie, in de literatuur als geheel misschien zelfs, als zodanig te signaleren, te kwalificeren en in kaart te brengen.
Opdat de chaos die er poëtisch gesproken nu heerst geordend wordt en toekomstige generaties dichters daarmee verder kunnen.

Reacties zijn gesloten.