Biografisch

Biografisch | Vroeg en later werk

HERLEVING

Mijn denken stuift als veren,
overstuur van geluk
en verbijsterd.
Het sneeuwt. De lucht sneeuwt leeg en
de sporen sneeuwen dicht en
zij stuiven
opnieuw als ik luister naar wie
zijn voetstap zet in wat in mijn
verleden ligt.

Dit portret van Van Geel is rond 1939/1940 gemaakt door de bekende beeldhouwer Pieter d’Hont. Een van de vele kunstenaars die Chris waarschijnlijk heeft leren kennen, tijdens zijn opleiding aan het Instituut voor Nijverheidsonderwijs, de huidige Rietveldakademie.

Dit is een portret van de vader van Van Geel, die evenals weer zijn vader, en later ook de zoon van de dichter, Christiaan Johannes heette. Vier generaties C.J. van Geel dus.
Het portret is geschilderd door Henri Braakensiek, de broer van de in de dertiger jaren zeer bekende politieke tekenaar Johan Braakensiek. Vader Van Geel en de schilder waren vrienden. De oude Van Geel was wat in die tijd heette: sierkunstenaar*). Tegenwoordig zeggen wij grafisch ontwerper of designer. Het geelrode etiket van het oorspronkelijke maggiflesje schijnt een ontwerp van hem te zijn. Desondanks leefde het gezin in armoede. De jonge Van Geel, die enig kind was, groeide voor een deel op in de beschuttere omgeving van zijn grootouders. Opa Van Geel was verslaggever bij het Algemeen Handelsblad en had zelf poetische aspiraties. In 1941 debuteerde hij op zeer late leeftijd met de bundel Bij de kruising.
Grootvader Van Geel heeft veel invloed gehad op de jonge Van Geel.

*)Een van de twee onlangs antiquarisch opgedoken voorbeelden van het werk van de vader van Van Geel

_____________________________________________________________________________

ZOON, BIJ DE DOOD VAN ZIJN MOEDER

Het dood gezicht achter het glas:
het eerste schooluur in de klas,
de glazen deur waardoor ik tuur
naar wie mij bracht en zag hoe het mij
verging. – Ik houd mij strak en koel
als zij, zo strak als toen, ik voel
opnieuw, dit is van langer duur
dan voor zes jaar. – En weer die schrik
dat zij bemoedigend naar mij knikt.

Ook dit portret van Van Geels moeder, Dien Marsman, is van Henri Braakensiek

———————————————————————————————————

VROEG EN LATER WERK van Van Geel

Met het uitbreken van de oorlog kwam er, zoals in Van Geel en het surrealisme al is aangegeven, een einde aan de prille carriere die Chris bezig was te maken. Het tijdschrift van André Breton, waarin zijn werk gepubliceerd zou worden, hield op te bestaan. Je zou kunnen zeggen dat de oorlog het surrealisme inhaalde, het tot realiteit maakte. De werkelijkheid werd immers met een schok veranderd. Hoewel hij nog in 1943 tekeningen in deze stijl maakte, verschoof zijn aandacht naar het maken van schilderijen waarin een perspectief geboden werd op vrijheid, licht, ruimte en schoonheid. Verwant aan Bonnard, misschien. Hij had het surrealisme gepeild en la voix surréaliste, de surrealistische mentaliteit, zou hem zijn hele leven bijblijven.
Van dit geschilderde werk, ook in krijt en aquarel, is heel weinig overgebleven, maar voldoende om er enkele interessante elementen in te ontdekken.

We zien hier drie schilderijen die allemaal een bij Van Geel veel voorkomend motief hebben, namelijk een tafel in een kamer.
Twintig jaar later zou hij honderden ‘interieurs’, zoals hij ze noemde, maken. Hele reeksen, steeds anders en in een fantastische diversiteit, maar op veel kleiner formaat. De kamers van de latere interieurs zijn allemaal gesloten.
Deze vermoedelijk in 1943 en 1944 gemaakte schilderijen hebben daarentegen alle een prachtig uitzicht op een haast mediterrane zee, zelfs met scheepjes. Zijn de tafels van de latere ‘interieurs’ zonder uitzondering kaal, hier zijn ze overladen met fruit en ligt er zelfs een gebakken eitje te wachten. En dan herinner je je dat in 1944 de hongerwinter was en je begrijpt opeens waar het verschil mogelijk mee te maken heeft. ‘Kunst maken om de honger te stillen’, is dat niet een uitspraak van Van Geel?
En wat te denken van een van zijn laatste bijdragen aan het Tijdschrift voor Teksten Barbarber ?

SCHILDER

Van honger eet hij zijn stilleven

Toen hij mij die tekst de eerste keer voorlas moest ik er enorm om lachen. Waar haal je zo’n vondst vandaan? Geweldig!
Maar toen ik veel later die schilderijen zag, ondekte ik de dubbele bodem onder deze humor.

Voor het tweede en derde schilderij hierboven ontving Van Geel na de oorlog, in 1947, de Koninklijke Subsidie voor de Schilderkunst.

Hieronder enkele specimina van de latere interieurs.

Het steeds weer opnieuw kijken naar hetzelfde en daarvan steeds anders verslag doen, zoals hier bij de kamertjes, raakte ook aan de kern van Van Geels poeticale opvattingen. Vergelijk zijn Ars poetica waarmee de eerste pagina van dit Van Geel lemma op deze site opent: het kistje dat toevallig zo ligt, maar dat misschien ook wel anders wil.

Niet voor niets wilde hij altijd bij voorkeur een tentoonstelling in zijn geheel verkopen (of schenken), zoals een bundel ook als een geheel gecomponeerd werd en elke bundel onderdeel moest zijn van het geheel van zijn werk. In de reeksen van dikdoeners, interieuren, dierentekeningen (meest vogels) en dierengedichten valt de oneindige varieteit te bewonderen die hij nastreefde.

Werk uit de zestiger en begin zeventiger jaren.
Van Geel was doelbewust een variantenschilder en een variantendichter. “Ik leef om iets af te maken, maar de variaties zijn eindeloos.”

DWARSVERBINDINGEN

Hierboven is het vanuit elkaar duiden van schilderkunst en poëzie al even aan de orde gekomen. Ik wil hier nog een mooi voorbeeld van geven en begin bij het gedicht. Het is afkomstig uit Van Geels laatste, bij leven verschenen bundel, Enkele gedichten.

KON IK..

Kon ik wat woede is
maar in zijn deugd begrijpen
en er natuur van maken
als boom van wortel blad.

De tekening is meer dan tien jaar ouder dan het gedicht. In potlood staat er onder geschreven: men bevrijdt zich.
We zien een kanon dat aan de onderkant vage associaties oproept met een fallus, maar dat, hoe hoger we komen, steeds meer op een vulpen begint te lijken. Het idee is glashelder: een kanon is zwaar geschut en staat voor agressie en woede. Een woede die wordt omgezet in schrijven. Tekenen misschien ook: de bovenrand van de vulpen is zelfs versierd. Het kanon staat op wielen, die weer gedragen worden door vogelpoten. En weliswaar hangen er wat vage vogels onder de loop van het kanon – misschien al ten offer gevallen aan de woede – maar bovenop het uiteinde van de loop, daar waar de kogels uitkomen, staat triomfantelijk een vogel! Het hele kanon lijkt trouwens wel een vogel. De woede is hier kunst geworden en natuur tegelijk. En om het gedicht er nu nader bij te betrekken, misschien is het proces om van woede kunst te maken, zoals de wortels van bomen woeden of woekeren om tot blad te komen,
misschien is dat hele proces wel gemakkelijker zichtbaar te maken in beeldende kunst dan in literatuur.

Reacties zijn gesloten.