Het Berlin-concert van Lou Reed Amsterdam 2007

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Toen ik mij, in mijn vroegere leven als popcriticus, voornam om ‘later’ nog eens naar concerten te gaan, om te zien wat de helden uit mijn jeugd er nog van terecht zouden brengen, had ik niet in de eerste plaats aan Lou Reed gedacht. In tegenstelling tot groepen als de Rolling Stones en The Who had hij zich immers nooit in ’t bijzonder afgezet tegen oudere generaties. Lou Reed’s hele levensvisie was eigenlijk anarchistisch en die visie werd door hem ook niet als een soort motto uitgedragen, maar gewoon uitgedrukt, in zijn houding en in zijn werk.
Misschien is dit nu precies wat een kunstenaar onderscheidt van een entertainer. Dat wat hij op zijn oude dag zou doen nog steeds de moeite waard zou zijn, leek mij dus altijd al vanzelfsprekend. Maar toen ik zijn naam zag staan op de lijst met geplande concerten, was ik natuurlijk meteen alert: Lou Reed komt Berlin vertolken, daar moet ik heen!
Meer dan zesduizend pop-elpees, van de jaren zestig tot ruim tachtig, bedekken een volledige wand van mijn werkkamer zonder dat ze ooit nog tot klinken worden gebracht. Het is een zwijgende muur, enigszins verstoft zelfs, maar gelukkig staat alles alfabetisch, zodat The Velvet Underground en Lou Reed er snel uitgetrokken waren. Dan de draaitafel. In geen jaren gebruikt, dus ik moest flink actie ondernemen voordat ik het originele exemplaar van Berlin, uit 1973, erop kon leggen om er eens rustig naar te luisteren.
Dat viel helemaal niet mee.
In de kranten en op tv wordt nu wereldwijd gesproken van ‘het meesterwerk van de jaren zeventig’ (onder meer de BBC in de introductie tot een kort interview met Reed), alsof er in die periode niet méér dan dit alleen werd geproduceerd. Het gemak waarmee het ene na het andere kunstwerk dat uit het verleden wordt opgediept, plotseling met superlatieven wordt omhangen en tot meesterwerk of hoogtepunt van hele decennia wordt gebombardeerd, heeft mij altijd verbaasd. En dat iedereen dat ook meteen klakkeloos naschrijft.
In hetzelfde interview met de BBC liet Reed zich tussen neus en lippen door ontvallen dat hij zelf eigenlijk bang was geweest dat het album te melodramatisch zou zijn om nu nog furore te kunnen maken. En inderdaad, na beluistering moet ik zeggen dat die kant er aan zit. Het begint al bij de hoes en het dubbelbladige inlegvel. De teksten van alle songs zijn in een kitscherig versierd handschrift uitgeschreven. Erger nog zijn de begeleidende foto’s, die bedoeld zijn om het verhaal dat in de songs verteld wordt, te ‘illustreren’. Iedere goede schrijver weet dat je zoiets beter niet kunt doen, en Lou Reed is een heel goede schrijver, dus wat bracht hem ertoe dit te tolereren?
Met deze tegenstrijdigheid raken we waarschijnlijk meteen aan een kant van Reed’s karakter, waar zelfs mensen die hem heel goed kennen, moeite mee hebben. Het is de kant van ‘I just don’t care’, een uitdrukking die hem in de mond bestorven ligt en die ook in veel songs wordt gebezigd. De gecultiveerde onverschilligheid dus, van iemand die juist een groot perfectionist is. Lou Reed heeft een karakter van uitersten.
Ik geef een citaat van John Cale om dit nader toe te lichten: “Het is voor mij niet te begrijpen dat iemand die zulke gevoelige liedjes kan schrijven, in zijn relaties met mensen zo meedogenloos kan zijn.”
En John Cale, samen met Reed de oprichter en vormgever van The Velvet Underground, kan spreken uit ervaring. Hij heeft menige clash met Reed achter de rug. Natuurlijk, als je al gedebuteerd bent met de afpelbare bananenhoes van Andy Warhol, kun je denken dat je je wel het een en ander aan echte kitsch kunt permitteren, in de verwachting dat het publiek het wel zal pikken of het anders wel voor camp zal willen aanzien, maar mij valt zoiets tegen.
De indruk die het omhulsel van de plaat maakt, kan doorgetrokken worden naar een deel van de inhoud zelf. Twee van de tien songs, ‘The Kids’ en ‘The Bed’ zijn ronduit zwak. En dat komt niet alleen doordat wij heden ten dage misschien wat minder opkijken van moeders die uit de ouderlijke macht worden ontzet of doordat zelfmoord, wat impact betreft, niet meer is wat hij geweest is. Lou Reed heeft in zijn songs nooit geleund op dit soort novelty-aspecten. Travestie, drugsverslaving, homoseksualiteit, sadomasochisme – het waren onderwerpen waarmee hij meteen in 1967 op The Velvet Underground & Nico al binnenkwam, en dat waren voortreffelijke nummers.
De zwakte van het in aanleg natuurlijk al tamelijk pathetische ‘The Kids’ is door producer Bob Ezrin kennelijk feilloos aangevoeld. Maar zijn oplossing, er nog een schepje bovenop doen door het ‘mammie’-geschreeuw van zijn eigen kinderen aan de muziek toe te voegen, heeft het lied definitief de afgrond van de slechte smaak ingeholpen. Tenenkrommend zit je ernaar te luisteren, vooral omdat een aanvaardbare oplossing heel dichtbij lag: de steeds hoger uithalende gitaren wekken al de suggestie van jammeren.
Ook ‘The Bed’ is moeizaam. Je voelt dat al aan Reed’s formuleringen: ‘This is the place where she lay her head / when she went to bed at night./ And this is the place our children were conceived…‘ Alleen die laatste zin al met dat woord ‘conceived’. Dit is de plek waar onze kinderen werden verwekt, hoort u het Lou Reed al gewoon zeggen? Ik niet, hoor. En die drugsverslaafde die verondersteld wordt hier aan het woord te zijn? Nou, die nog minder. En dan die foto ernaast met dat bebloede laken. Er wordt echt niets aan onze verbeelding overgelaten. Toch wordt de song door de typisch onderkoelde stijl van Reed’s zang nog in balans gehouden, terwijl het verrassende refrein: ‘And I said, oh, oh, oh, oh, oh, what a feeling’, dat op een heel kalme, haast voorzichtige manier wordt gezongen, weer veel rechttrekt.
Een plaat van Lou Reed is nooit echt slecht, daarvoor heeft hij te veel kwaliteit. Op Berlin staat veel dat uitstekend is, ook in zijn instrumentale uitwerking. Maar om hier, zoals nu gedaan wordt, te spreken van een ‘baanbrekend’ album, of ‘het meesterwerk van de jaren zeventig’, dat is onzin. Baanbrekend, dat was Lou Reed geweest. Met de Velvet Underground.

De Heineken Music Hall was tweemaal uitverkocht. Het publiek: overwegend jong en enigszins intellectueel. De vast band van Lou Reed bestaat uit zes personen: drummer, twee bassisten, toetsenman, een flamboyante zangeres en, naast Reed zelf, op gitaar Steve Hunter, die ook op de plaat al excelleerde. Voor de uitvoering van Berlin is een klassieke orkestsectie van acht musici – strijkers en blazers – toegevoegd en een tienkoppig koor van voornamelijk meisjes. Zij worden door Reed ook aangesproken met ‘the girls’. De plaat wordt integraal uitgevoerd. Hier en daar is opgemerkt dat Reed’s zang zo jammerlijk was, maar wie erop uit is om ‘mooi’ te horen zingen, kan beter meteen opteren voor de Pavarotti-uitvoering van ‘Perfect Day’. Reed is nooit een mooie zanger geweest, net zo min als Bob Dylan of Van Morrison dat zijn. Of bijna iedere blueszanger. Maar zijn teksten zijn gemaakt voor zijn stem, en uit de subtiliteit van de ritmes ervan vloeit als vanzelf een melodie voort. Zo’n regel als ‘Mén of good fórtune, mén of póor begínnings’, dat is, zoals uit mijn accentuering moge blijken, iets heel anders dan het ‘Péople trý to pút us dówn / júst becáuse we’re hánging aróund’ van The Who. Voelt u hem? In de eerste regels spreekt een dichter, in de regels van The Who spreekt iemand die rijmt.
Daar komt nog bij dat Reed’s monotone, spreekachtige zang een bewust en wezenlijk onderdeel is van het minimalisme van zijn stijl en zijn visie op kunst. Wat hij mogelijk met de jaren aan stembereik is kwijtgeraakt – hij had al nooit heel veel – werd tijdens het concert overigens ruimschoots gecompenseerd door zijn toon – als altijd deadpan, veel meer nog dan op de plaat indertijd – en door hoe hij met vertragingen en stiltes werkte. In de openingssongs wekte deze vertraging meteen een enorme spanning op die duidelijk bedoeld was als de opmaat tot iets groots. In ‘Lady Day’ kwam voor het eerst de voltallige bezetting in actie en het was wonderbaarlijk hoe de muziek, traag en zwaar als een oceaanstomer, langzaam maar zeker, met wiegende koorleden en orkest, op gang kwam totdat zij als het ware swingend over de golven beukte. Eén handbeweging van Reed was voldoende om dit gevaarte abrupt tot stilstand te brengen.
Geen noot te veel, geen enkele overdrijving, alleen de kracht even laten voelen. Dit effect, van een oceaanstomer die uiteindelijk ‘los’ gaat werd opnieuw bereikt in “Caroline Says I’. De indruk van wiegen en voortstampen werd in niet geringe mate versterkt door de koorleden en de zangeres, die niets anders deden dan met hun zang en hun lichaam de deining ondersteunen. De indruk van zwaarte werd opgewekt door de doorgonzende en vervormde gitaren, waarbij ook inbegrepen de basgitaar en de elektrische contrabas – de hele santekraam van de moderne elektrische versterking kortom, die zo wezenlijk bij de rock and roll, als kunst en entertainment van een door de machine gedomineerde wereld, hoort.
Deze zware elektronica vormde een ondergrond, uit de massa waarvan uiteindelijk de twee leadgitaren omhoog klommen om er tot grote hoogte bovenuit te stijgen. Dit was zonder meer indrukwekkend.

Wat mij het meest imponeerde aan dit hele concert, was de ingetogenheid en de beheersing, ja het meesterschap waarmee Lou Reed dit enigszins larmoyante jeugdwerk wist te transformeren tot een ernstig en waardig stuk muziek. De uitvoering, met gebruikmaking van de volle potentie van koor en orkest zonder dat helderheid en doorschijnendheid daarbij ooit in het gedrang kwamen, was van de eerste tot de laatste seconden boeiend, omdat overal over was nagedacht. Het merkwaardige was nu dat door deze rationele benadering juist ruimte ontstond voor emotionaliteit.
Bij mij sloeg deze overigens niet toe tijdens Berlin zelf, maar bij de eerste toegift, het o-zo-mooie ‘Sweet Jane’, Lou’s liefdevolle spotlied op de bourgeoisie, die hij zo goed vanuit zijn eigen jeugd kende.

Een opgewektere toonzetting en een zeer afstandelijke zang reduceerden het ‘verhaal’ van Berlin eerder tot een aanleiding dan dat het nog het centrale gegeven was. Niettemin bleven de songs over de door hun moeder verlaten kinderen en het zelfmoord-bed de zwakke plekken.
Lou Reed’s distantie van het verleden ging hier zo ver dat hij het verwerpelijke kindergeschreeuw rustig had aangehouden. Net zoals het ‘illustreren’ van het verhaal gehandhaafd was gebleven. Een film verving nu de foto’s, maar gelukkig was het doek waarop deze geprojecteerd werd, zo druk versierd dat de beelden erop nauwelijks zichtbaar waren. Je kunt hier ‘distantie van het verleden’ met evenveel recht vervangen door ‘respect voor het verleden’ of ‘trouw aan het verleden met inbegrip van de fouten’. Je zou zelfs kunnen spreken van een superioriteit die op het gewaagde af was.
Waarschijnlijk zijn al deze kwalificaties wel min of meer waar, want zo gaat dat met de waarheid. Eenmaal waar is iets op veel meer dan één manier waar.
Wat wel zeker is, is dat hier iemand stond op de toppen van zijn kunnen, iemand die in zijn werk nog steeds in volle ontwikkeling is. En dit laatste is natuurlijk zoals het moet zijn. Daarom vond ik van de drie grote namen uit het verleden die ik nu in een paar weken tijd heb gezien, The Who, The Rolling Stones en Lou Reed, het concert van de laatste het beste.
Er is niets zo mooi als de catharsis van grote kunst ondergaan. Daarna voel je je immers, al is het maar voor even, een beter mens.

ELLY DE WAARD
Juni 2007

Reacties zijn gesloten.