> De Sprong van de Nieuwe Wilden naar de Millennial-dichteressen (2017)

In 1987, nu dertig jaar geleden, schreef ik bij de presentatie van de groep vrouwelijke dichters ‘De Nieuwe Wilden in de Poëzie’ een inleiding, die als voorwoord verscheen in de gelijknamige eerste bundel van deze groep. (De Nieuwe Wilden in de Poëzie, samenstelling Elly de Waard, Feministisch Uitgeverij Sara). Het hele stuk is hieronder na te lezen.
De visie die erin uitgedrukt wordt is namelijk nog volstrekt actueel en de essentie ervan vormt de basis voor de beschouwing die ik hier nu aanbied.
Speciale aandacht dus voor de volgende passage:

In de huidige wereld bevinden wij ons, te midden van een gigantisch aanbod uit heden en verleden, op een kruispunt van ruimte en tijd. Waarbij de ruimte staat voor een wereldomvattende en de tijd voor een tot ver in het verleden teruggrijpende cultuur. Niettemin is er van deze stilistische chaos, van deze baaierd van mogelijkheden, in de Nederlandse poëzie weinig terug te vinden. Om een gooi te doen naar die realiteit, daar zijn nieuwe wilden voor nodig. Wezens met niets belemmerends achter zich en alles voor zich. Zonder eigen geschiedenis, maar met een open blik en alle perspectief. Omdat zij de ontwikkeling van de moderne wereld hebben meegekregen en daarmee op een ongekende toekomst zijn gericht.

De Nieuwe Wilden waren hun tijd ver vooruit. Geheel zoals in het begeleidende voorwoord wordt beschreven, werden zij nauwelijks serieus genomen, dit in tegenstelling tot de ongeveer tegelijkertijd verschenen groep De Maximalen, die uitsluitend uit mannen bestond. De mannen vonden het ook beslist niet fijn dat er een concurrerende vrouwengroep was opgestaan; ze vonden het vernederend om in één adem met deze genoemd te worden of erger: ermee vergeleken te worden.

Vanuit een praktijk die ik uit de internationale popmuziek had leren kennen (ik was in die jaren een bekend rock-criticus), ben ik toen een jaar lang met de Nieuwe Wilden op toernee gegaan, langs vrouwencafé’s, boekhandels en zalen overal in Nederland, om onze naam gevestigd te krijgen.
Het hoogtepunt van de confrontatie tussen Nieuwe Wilden en Maximalen vond plaats in Vredenburg in Utrecht in 1989. De Nieuwe Wilden, vanzelfsprekend als voorprogramma, zetten daar een tamelijk indrukwekkend optreden neer dat ook allerlei theatrale vernieuwingen in zich had. De Maximalen, van wie de presentatie wel degelijk ook spectaculaire kanten bevatte, maakten er echter een potje van. In wat de apotheose van beide groepen had moeten worden braken vechtpartijen uit, waarbij ook publiek het podium begon te bestormen. Wat een hoogtepunt had moeten worden van poëtische verzoening, werd een onaangenaam dieptepunt. Uiteraard had de pers achteraf alleen aandacht voor het spektakel en het handgemeen. Wat de avond werkelijk had betekend is nooit duidelijk gemaakt.
De Nieuwe Wilden vielen daarna als groep uit elkaar.
Deze uiteenzetting is nodig om tot mijn punt te komen. Het lijkt er namelijk nu, dertig jaar later, op dat er een golf van jonge vrouwelijke dichters is opgestaan die in hun werk, opnieuw en inmiddels beter toegerust dan indertijd, bezig zijn de gooi naar die realiteit te doen, die ik in de inleiding bij De Nieuwe Wilden noemde. Natuurlijk zijn daar ook jonge mannelijke dichters bij, maar vooralsnog zijn de vrouwen niet alleen in de meerderheid, maar ook toonaangevend.
Als meest opvallende van hen wil ik Hannah van Binsbergen noemen, Lieke Marsman, Marieke Rijneveld, Bernke Klein Zandvoort, en Kyra Wuck. Hun gedichten weerspiegelen naar mijn idee voor het eerst in hoge mate de ‘stilistische chaos’ en ‘de baaierd van mogelijkheden’ die een intussen al meer dan dertig jaar voortschrijdende globalisering als bijverschijnselen in zich meedraagt. Tezamen met de toenemende kennis van ons verleden met zijn culturen vormt ‘dit wereldomvattende’ de vierdimensionale staat op de as waarvan wij ons, zoals elk heden dat in beweging is, bevinden.

Die stilistische chaos wordt door deze dichteressen niet alleen binnen hun gedichten uitgedrukt, onder meer door middel van het gebruik van verschillende spreekregisters, maar met name ook direct in de vorm, die vaak tegen het proza aanleunt of zelfs eigenlijk al proza is en die dan ook nog maar weinig met de veel strakkere klassieke poëtische vormen gemeen heeft. Alleen de inwendige structuur vertoont nog poëtische strategieën zoals die van de associatie en van een terugkerende beeldspraak, wat ze een soort samenhang geeft en wat de, ook wat betekenis betreft, meestal vrij losse teksten bij elkaar trekt.
Wat mij ook opvalt is dat, mogelijk om het ‘gigantische aanbod’ van de huidige wereld in hun poëzie beter te kunnen hanteren, er tegenwoordig kennelijk niet meer ter voorbereiding van een leven als dichter wordt geopteerd voor een studie van de geschiedenis, lees: de studie Neerlandistiek, maar voor die van de Wijsbegeerte.
Bij nader inzien is dit echter wel te verklaren. Het gaat in deze poëzie namelijk in de eerste plaats om het formuleren. Waar een uitwendige vorm nauwelijks aanwezig is, wordt alles afhankelijk van de exactheid en de precisie van de formulering van de tekst. Nu geldt dit natuurlijk voor alle poëzie, maar al formulerende wordt er in deze gedichten ook heel wat af geredeneerd. En dat geldt beslist niet voor alle poëzie. Dat dat eerder tot proza-achtige vormen zal leiden is nu ook duidelijk.
Poëzie is in oorsprong een taaluiting die gericht is op bezweren. Met kernachtige spreuken trachtte men de werkelijkheid in te tomen. Deze functie heeft zij in haar zuiverste vorm nog steeds. Interessant is dat je zou kunnen zeggen dat bij de Millennial-dichteressen de bezwering de vorm van redeneren lijkt te hebben aangenomen. Redeneringen zijn in wezen het tegenovergestelde van een kernachtige spreuk, van korte uitspraken die hun vorm ontlenen aan de ritmische en melodische (taalklanken, rijm) elementen van de taal.
Mij lijkt het dat de keuze, of misschien zelfs de noodzaak tot de keuze van de redenering alles te maken heeft met de verwarrende overdaad van het huidige werkelijkheidsaanbod. Dat dat zo allesoverheersend is dat het alleen tegengehouden, dichtgeplakt, overschreeuwd of omsingeld kan worden met bezwerende redeneringen. Alsof zij alleen op die manier op afstand gehouden kan worden. Of door haar jungle alleen zo een weg gevonden kan worden die mogelijk tot een vorm van begrip leidt.
In feite werd dit redeneer-ritueel al veel langer toegepast in de Rap, die tussenvorm van muziek en dichterlijke dreuntekst die naar mijn mening te beschouwen is als een basisvorm van de hedendaagse poëzie. En die in zijn vorm sterke gelijkenis vertoont met de poëzie zoals die enkele eeuwen terug door de Rederijkers werd geschreven.
Veel van de poëzie van de Millennials is te zien als een intellectuele afsplitsing van de Rap. Ik schrijf Rap met een hoofdletter om aan te geven dat het een stijl op zich is.
Ik heb nu een idee proberen te geven van hoe naar mijn inzichten de Millennial-dichteressen te plaatsen zijn, zowel qua afkomst als wat stijl betreft.

In het voorwoord bij de Nieuwe Wilden-uitgave heb ik uiteen gezet dat vrouwen naar mijn idee het meeste toegerust zijn om vernieuwingen in de poëzie aan te gaan, juist doordat ze in de (lees: mannelijke) canon geen rol spelen. Dat maakt ze volstrekt vrij en doordat ze tegenwoordig net zo goed opgeleid zijn als het mannelijke deel van de bevolking hebben ze op dat punt geen achterstand meer.
In de dertig jaar die er tussen de Nieuwe Wilden en nu ligt is de wereld aanzienlijk complexer en opdringender geworden dan die toen al was en daar past een poëzie bij zoals ik die hierboven heb proberen te beschrijven. In dat opzicht lijkt mij de sprong van toen naar nu gemaakt, waarbij de Millennials waarschijnlijk het tot nu toe weinig benoemde voordeel hebben van de wet van de remmende voorsprong.
Vormtechnisch maar ook maatschappelijk heeft de hedendaagse golf van dichteressen niet veel meer gemeen met de vrouwengroep die zich tegen de Maximalen moest afzetten.Behalve in één belangrijk opzicht en dat is dat ze zich beiden zonder schroom in hun poëzie als woman identifiable laten zien: identificeerbaar als vrouw.

De sprong van de Nieuwe Wilden in de Poëzie naar de vrouwelijke Millennials is dan ook geen gewone sprong maar een paardensprong. En die komt niet in eerste instantie uit het schaakspel maar uit de vele patronen van de altijd werkzame evolutie, onze meesteres.

*****

INLEIDING BIJ DE NIEUWE WILDEN IN DE POEZIE, 1987

Stel je eens voor dat de dichter Arthur Rimbaud een vrouw zou zijn geweest. Men zou – gesteld al dat haar werk gepubliceerd was geworden – niet geweten hebben wat met haar gedichten te beginnen. In het ergste geval had men de uitgave stilzwijgend overgeslagen. In een net nog iets minder erg geval zou het zijn weggezet als idioot of aanstootgevend.

En als de jonge vrouwelijke Rimbaud geleefd had in een tijd waarin er ook al vrouwen waren die literatuur mochten bespreken, dan zouden die haar werk zonder twijfel met de grond gelijk gemaakt hebben. Niet vanwege de poëzie, of omdat ze daar verstand van hadden, maar omdat ze verstand hadden van vrouwen en vooral van hoe die hun mond moesten houden als zij – de critici – zich schaamden voor wat daar was uitgekomen. En vervolgens zouden er mannen geweest zijn die tot op heden, honderd jaar na haar dood, waren blijven zoeken naar motieven om tot een verklaring van het bestaan van deze uitzonderlijke gedichten te komen. In elk geval zouden zij het er over eens geweest zijn dat de jonge vrouwelijke Rimbaud een typisch negentiende eeuwse hysterica was geweest die waarschijnlijk aan een beurt toe was, want was zij niet altijd ongehuwd gebleven? En als zij dan, bijvoorbeeld met Verlaine, toch het bed gedeeld had, dan kwam haar poëzie ongetwijfeld uit frustratie daarover voort. Wat hiermee gezegd wil zijn is heel eenvoudig: men kan op het juiste moment, op de juiste plaats en met het juiste werk voor de dag komen maar toch juist van het verkeerde geslacht zijn. Die dingen luisteren heel nauw.
Gelukkig voor Arthur Rimbaud was hij een man. En bepaald geen doorsnee man, getuige de volgende profetische woorden: ‘Deze dichters zullen er komen! Als de oneindige horigheid van de vrouw gebroken zal zijn, als zij voor zichzelf en door zichzelf zal leven en de man – tot op heden afgrijselijk – afgedankt heeft, dan zal zij dichter zijn, ook zij! De vrouw zal het onbekende vinden! Zullen de werelden van haar ideeën verschillen van de onze? Zij zal vreemde dingen ontdekken, ondoorgrondelijke, weerzinwekkende, verrukkelijke; wij zullen haar vatten, wij zullen haar bevatten.’
Wij schrijven 1987. De Nieuwe Wilden in de Poëzie zijn vrouwen.

Nu wil het geval dat er een stroming is in de schilderkunst die de Nieuwe Wilden ( die Neue Wilde) heet en die stroming is er een van mannen. Hadden de de Nieuwe Wilden in de Poëzie zich dan niet beter, bijvoorbeeld, de Nieuwe Negentigers kunnen noemen? Ik vind van niet en wel hierom: de verschillende kunsten hebben onderling even weinig met elkaar te maken als de vertakkingen van zelfs aan elkaar verwante wetenschappen, maar zijn toch meestal aan dezelfde ontwikkelingen onderhevig. De Neue Wilde in de schilderkunst zijn te beschouwen als een reactie op het steriel geworden purisme van minimal art en arte povere.
En hoewel de Nieuwe Wilden in de Poëzie zich niet in het bijzonder baseren op dat uitgangspunt gaan zij ervan uit dat ook in de dichtkunst zo’n reactie nodig is. In de
nederlandstalige poëzie valt namelijk eveneens een grote steriliteit waar te nemen. Al te veel jaren overheerst, in stand gehouden door een eenzijdige poëziekritiek, de stijl van de abstracte, autonome of hermetische poëzie. Van de rigide denkers die poëtische andersdenkendheid graag uitsluiten. Van heel in de verte vallen er soms nog wel andere geluiden te beluisteren, zoals die van de neo-traditionelen, de sonnettenschrijvers zal ik voor het gemak maar zeggen, maar erg overtuigend zijn die niet. Ze worden begeleid door hun eigen recensenten, van wie het piepen nimmer boven het strenge getrompetter van de totalitairen uitkomt. Wie heden ten dage niet taalautonoom dicht, geniet blijkbaar al vanzelf de muizenhuig. * Is dit het landschap van de Nederlandse poëzie? Ja, maar het ziet er eerder versteend dan bloeiend uit.

Wat zijn dat eigenlijk voor ideeën van de hermetici, waartegen men zo weinig weet in te brengen? Bijvoorbeeld dit: dat de thematiek van poëzie aan veroudering onderhevig zou zijn. Zoals Wiel Kusters en Peter Nijmeijer stellen die ‘de thematiek van het klein geluk en het groot gemis’ verwerpen als verouderd en het realisme van de poëzie principieel onjuist vinden. Naar hun mening gebruikt onder anderen de dichter Ed Leeflang ‘de taal als een denksysteem dat aan het leven wordt opgelegd en te weinig als autonoom fenomeen waarin en waarmee naar nog ongekende werkelijkheden wordt gezocht.’ ** Aan het feit dat kunst hiermee terug gebracht wordt tot een modeverschijnsel, ga ik nu even voorbij. Dat we Dante, Petrarca en Shakespeare, om nog maar te zwijgen van Sappho, Labé en Dickinson, niet meer zouden kunnen lezen omdat hun onderwerpen niet meer van deze tijd zouden zijn, eveneens. Ik wil wijzen op het effect van deze blindelings gehanteerde norm. Bij het taboe verklaren van zo ongeveer elk onderwerp dat met het kleine of grote menselijk bestaan te maken heeft, is vooral de relativering tot nul, de leegte als thema overgebleven. Arte povere inderdaad! Vanuit die leegte wordt ook heel wat afgedicht in Nederland.
De taal als autonoom fenomeen waarin en waarmee naar nog ongekende werkelijkheden wordt gezocht? Wat een eenzijdige visie! De bestaande werkelijkheid is ongekend genoeg, zeker voor vrouwen. De hermitici reduceren de Nederlandse poëzie tot een provinciaal gebeuren, terwijl we allang in een mondiale cultuur zijn aangeland. Ook al moeten we er moeite voor doen, alle stijlen die in de wereld voorhanden zijn, liggen binnen ons bereik. Voor geesten die erop uit zijn om nog ongekende werkelijkheden te zoeken een hele uitdaging, zou je zo denken. Een volte die staat te dringen om de leegte uit haar voegen te doen springen! Een werkelijkheid die eraan herinnert dat de taal, hoewel groter dan haar individuele taaldragers en hoe eventueel autonoom ook, kleiner is dan die werkelijkheid zelf, terwijl zij toch het meest geschikte middel is om die werkelijkheid mee te onderzoeken en te hanteren.
Als het abstracte in de literatuur geen voeling houdt met de realiteit, is het ten dode opgeschreven. Of anders gezegd: het concrete gaat altijd aan het abstracte vooraf. In de huidige wereld bevinden wij ons, te midden van een gigantisch aanbod uit heden en verleden, op een kruispunt van ruimte en tijd. Waarbij de ruimte staat voor een wereldomvattende en de tijd voor een tot ver in het verleden teruggrijpende cultuur. Niettemin is er van deze stilistische chaos, van deze baaierd van mogelijkheden, in de Nederlandse poëzie weinig terug te vinden. Om een gooi te doen naar die realiteit, daar zijn nieuwe wilden voor nodig. Wezens met niets belemmerends achter zich en alles voor zich. Zonder eigen geschiedenis, maar met een open blik en alle perspectief. Omdat zij de ontwikkeling van de moderne wereld hebben meegekregen en daarmee op een ongekende toekomst zijn gericht. Hoogontwikkelde barbaren. De Nieuwe Wilden. Zij zijn vrouwen, weet u nog wel? Marginalen. Onbenullen. Wezens uit de periferie, niet in staat tot ‘het schouwen van waarheden, van werkelijkheden’, als we Paul Rodenko mogen citeren.***
Vormelozen.
Gelukkig maar. Want voor die nieuwe realiteit kun je je maar beter niet tot vaste categorieën beperken. Een onbevangen blik is voor de poëzie toch al van levensbelang.
De Nieuwe Wilden staan buiten de, lees: mannelijke, tradities en daardoor zijn ze ook niet gedoemd om zich te laten inlijven. Ze ontdekken de taal in haar wezenlijke aspecten van klank, ritmiek en betekenis. Ze ontdekken de taal om aan de werkelijkheid van vrouwen stem te geven. Hun werk is vitaal, omdat ze bereid zijn elke centimeter ruimte die ze veroveren in kaart te brengen.

ELLY DE WAARD

Foto: Diana Blok

 

* ‘De muizenhuig genieten’, vondst van de dichter Chr. J. van Geel om het woord “piepen” nader aan te duiden.
** R.L.K. Fokkema, Ed Leeflang, in: Kritisch literair lexicon, februari 1987
*** Paul Rodenko, Tussen de regels. Wandelen en spoorzoeken in de modern poëzie, in het hoofdstuk ‘Dichters in de periferie’, Bert Bakker, 1956. Ooievaar 31. Het volledige citaat luidt: ‘Het is niet toevallig dat zich onder deze marginale beoefenaars der dichtkunst veel dichteressen bevinden; het schijnt nu eenmaal in de aard van de vrouw te liggen dat “poëzie” voor haar meer “een uitspreken van gevoelens” dan een schouwen van waarheden, van werkelijkheden betekent.’

Zie voor meer achtergrond-informatie:

Agnes Andeweg, BORN TO BE WILD? http://www.dbnl.org/tekst/_lit003199801_01/_lit003199801_01_0008.php

http://www.denieuwewildenrevisited.nl/de-nieuwe-wilden-in-de-poezie

http://www.nederlandsepoezie.org/jl/1987/zz_de_nieuwe_wilden.html

https://www.groene.nl/artikel/de-nieuwe-wilden

Reacties zijn gesloten.