THE CYCLE OF WAR

Violence Escalates As Kiev Protests Continue

Mijn droom dat de zee het duin overspoelde:
aan het eind van het Doornvlak
groeide een palm
zo snel dat, hoewel
zijn stam maar een meter mat
zijn kroon de vijftien al ruim overspande

Ik ging kijken, één keer, ik ging weer, hij groeide
ik nam iemand mee, of die het ook zag
maar kon uit de verte
hem niet meer ontdekken

Ik had die dag al zoveel gelopen, ik raakte alleen
en op een duintop verzand, de Noordzee kolkte
er rondom mij heen en brak met zijn golven
mijn toevluchtsplek af

Een wortel bood houvast tot ik in het donker
tussen de steunberen van een fly-over
een luchtzak vond en
wat daarop volgde –

Ooit werd ik in een oorlog geboren
Aan het eind kleurt de wereld opnieuw in bloed

In de tijd daartussen had ik het goed

Ongepubliceerd 2014

Geplaatst in Ongepubliceerd | 5 Reacties

DE DROOM DIE IK ZOËVEN

IMG_0372

De droom die ik zoëven
had, werd afgedekt al
door de dag; een lichtflits
van een beeld schoot er
doorheen en liet mij achter
met de pijn van iets
dat net nog was beleefd
en nooit meer
te herinneren zou zijn

het gevoel dat bij iets
voorgevallene hoort
kan het niet stellen zonder
beeld of woord, zonder
het wrakhout van een vorm
gaat het verloren
op wat het meer is van
zichzelf in de stille storm
van alledag –

Uit: Anderling
Tekening: Mariëtte Linders

Geplaatst in Algemeen | 4 Reacties

BRYAN (FERRY) AT THE RITZ

bryan-ferry-another-time-another-place-sleeve-70s-1024x1013Als ik in Londen aankom zijn ze net bezig de hoesfoto van Bryans nieuwe langspeelplaat in afmetingen van zes bij drie meter op de reclameborden te plakken. Tegenover het eindstation van het vliegveld Heathrow, aan Cromwell Road bijvoorbeeld.
Ook sommige dubbeldekker bussen dragen, in dit geval minder dan levensgroot natuurlijk, de afbeelding van de man in de witte smoking, met de rode sjerp om het middel en met de eeuwige St. Moritz sigaret, ver afgebrand tussen de vingers. De sigaret met de gouden rand, die in de reclames de slagzin “ring of luxury” heeft meegekregen. Bryan rookt ze in kettingen. Achter hem strekt zich een onnatuurlijk blauw zwembad uit en aan de rand daarvan, aan de overkant, houden zich enkele vage, maar onmiskenbaar welgestelde lieden op.
Ik begrijp dat Bryan een nieuw stadium in zijn carrière heeft bereikt en aangeland is op een trede van de ladder die hem onbereikbaarder maakt. Een ander sociaal niveau:

oh, you’re so chic
teenage rebel of the week.

Bryan heeft maar één obsessie, ster worden. “De rock heeft maar zelden een zanger gekend die zo toegewijd en zo zelfbewust geobsedeerd is door het mechanisme van de pop en de werking van het sterrendom als Bryan Ferry,” schreef Dave Marsh onlangs in Rolling Stone. En Bryan is niet alleen getalenteerd, maar ook nog eens intelligent en buiten dat heeft hij de juiste opleiding achter de rug. Een kunsthistorische. Hij kent de geschiedenis, kent de functie die de pop daarin heeft en kent de waarde van het image. De zestiger jaren zijn achter de rug en wat daarin creatief verricht werd, is uitgewerkt, verbleekt en net zo tot op de draad versleten als de kale jeans die nog uit dat tijdperk overgebleven zijn. The times they are a-changing again en Bryan is degene die ons het nieuwe decennium binnenleidt. Welberekend en stap voor stap. Trend-gevoelig en toch meer dan dat: richtinggevend. The answer my friend, is blowing in the wind en hij weet uit welke hoek de wind waait.
Als Bryan zingt geeft hij de meisjes het gevoel dat het eindelijk weer mogelijk is om hand in hand door het park te lopen in plaats van om door de nieuwe moraal gedwongen te zijn meteen met iemand naar bed te moeten. Hij is Mr. Heartthrob, El Ferrari, de prins van de neo-schmalz, maar prins in elk geval.
The times they are a-changing again en het is weer normaal om gewoon een goed boek te lezen en verachting te hebben voor wie slechts strips tot zich nemen. Tweeds verdringen het versleten denim, de kleermaker raakt weer in zwang, ten nadele van de confectie en een bezoek aan de kapper vervangt het zelf laten bijknippen van je lange haar door een willekeurige vriend. Kort haar is trouwens toch al preferabel, want iedereen draagt nu immers lang haar, tot ministers en politie-agenten toe.
Drugs zijn slecht voor je gezondheid en ze bevorderen de werking van je hersens niet. Een uitgelezen witte wijn of een glas champagne zijn op zijn tijd heel wat verkieslijker. Kortom de goede smaak krijgt weer de overhand en het is een goede smaak die de charmes van de slechte smaak door en door kent, want het verleden is niet onopgemerkt voorbij gegaan. Klasse en stijl, Bryan vertegenwoordigt ze en hij gaat daarin ver. Zelfs de ‘cloak of night’ is bij hem tailormade, ook al is hij van afkomst maar een eenvoudige Geordie uit Newcastle, die zich van zijn accent ontdeed door urenlang hardop Shakespeare en Milton te lezen.
Vorig jaar droeg Bryan nog een perspex polshorloge als hint van zijn hipheid. Nu is het een vierkant platgouden klokje, een nieuwe concessie aan het beeld van de High Style.

Hij resideert in The Ritz. De vergane glorie van dit eens zo beroemde hotel houdt zich met moeite staande in een omgeving die steeds meer naar afbraak neigt. Direct achter het postzegelachtige tuintje van The Ritz verheffen zich grote hijskranen boven een bouwput. Zonder twijfel zal hier weer een wolkenkrabber verrijzen van het soort waarvan er al zoveel als vierkante wachtposten uittorenen boven de stad Londen.
Een versleten gouden bureau’tje staat op sierlijk bewerkte poten voor het raam. Naast het bed ligt een industrieel antiek, gietijzeren plaatje met vier lila knopjes. Naast elk knopje staat in het engels én in het frans een type personeel gesmeed: boy/garçon, servant/valet; het ligt allemaal in de niet meer zo reële bedienden- en meiden-sfeer.
De twee bedden zijn veel te hoog en met een wonderlijk oud-roze bekleed. Op de vier hoeken staan hoge, koperen pilaren met knoppen: er is hier sprake van ledikanten. Bryan springt erop en eraf voor de fotografen. Hij draagt exact het pak van een fotosessie van een half jaar geleden, maar nu met de das van de binnenhoes van zijn nieuwe album. “Hallo, hoe gaat het ermee?” roept hij vrolijk zodra hij me in de gaten heeft, om daarna weer met verdubbelde ijver voor het camera-oog heen en weer te rollen, verzekerd van nog meer publiek.

Bryan levert al sinds negen uur ’s ochtends een slijtageslag met de pers; het ene interview na het andere, de ene foto na de andere. Het is nu drie uur in de middag en warm.
“Heb je mijn nieuwe soloplaat al gehoord?” vraagt Bryan, nog met een duidelijk entoesiasme.
“Jazeker”, zeg ik,”het is een mooie plaat.”
Bryan is niet erg tevreden met dit antwoord, dus ik voeg eraan toe: “Er staan drie of vier nummers op, die erg mooi zijn, maar ook wel een paar die een beetje te lang zijn, eigenlijk.”
“Zo, heb je dat ook gemerkt”, bromt Bryan.
“De vorige keer zei je dat je Sterling Morrison van de Velvet Underground zou aantrekken, omdat je hem de beste amateurgitarist ter wereld vond. Waarom heb je dat niet gedaan?”
Bryan leeft weer op en zegt: “ik gebruikte David O’List in plaats daarvan. Materiaal uit de eigen binnenlanden had de voorkeur. Homebread talent, my dear” en hij moet erbij lachen.
“De charme van de eerste plaat, de naiviteit is nu wel een beetje weg-gearrangeerd – deze is veel gladder.”
“Kijk, je moet het zo zien”, zegt Bryan, “dit is een de-luxe uitvoering van de eerste elpee”, en hij wacht op mijn reactie.
“En de nieuwe Roxy Music elpee?”
“Daar werken we aan met meedogenloze efficiëntie!”

De luxe, meedogenloos, het klinkt alsof het vandaag al voor de honderdste keer uit zijn mond rolt en het klinkt vervelend. De vorige keer was “meedogenloos” nog een lelijk woord (“Ze noemen me meedogenloos, maar het is niet waar, ik ben alleen maar eerlijk”); nu is het een epitheton ornans geworden.
“Heb je MacKay’s solo-elpee al gehoord”, mompel ik verveeld.
“Nee”, zegt Bryan.
“Dat kun je ook maar beter niet doen”, zeg ik en natuurlijk is dit slecht en fout van mij. Ondanks alle dodelijke rivaliteit is Andy toch Bryans makker en ze hebben elkaar nu net in de studio weer een beetje gevonden bij de opnamen voor Roxy’s komende album, dat toch het meesterwerk van dit jaar moet worden.*)
“Nou, je weet best dat hij een heel goed muzikant is”, zegt Bryan verdedigend.
Toch heeft de goedkope toets die ik indruk nog uitwerking, want Bryan voegt er met een licht verbitterde ondertoon aan toe: “ik zag trouwens wel dat hij precies dezelfde muzikanten op zijn plaat gebruik als ik op de mijne.”
Stilte.

Bryan zit verstolen te loeren naar de in een imitatie-diamanten hart gevatte “E” die op mijn smetteloos witte revers prijkt. Straks zal dit waarschijnlijk de aanleiding voor hem zijn om mij een glanzend nieuwe badge met zijn profiel erop in de hand te drukken. Het is nog steeds warm en de stemming zakt met het ogenblik. De fotograaf loopt hinderlijk klikkend om ons heen, wat het gesprek doet stokken en de bewegingen tekens bevriest.
“Bryan, je maakt wel enorm veel de laatste tijd, ik bedoel vier albums in nauwelijks meer dan een jaar, dat is krankzinnig.Ik vraag me af…”
“Ja, dat vraag ik me ook wel eens af”, onderbreekt Bryan snel. De omgeving van de Ritz dringt zich op en daarmee de notie dat het eigenlijk niet zo chic is om zo hard te werken.
“You know”, voegt hij er dan ook na enkele ogenblikken aan toe, “ik zou natuurlijk wat meer tijd vrij moeten maken om op het tennisveld door te brengen of om bij the pool, het zwembad rond te hangen.” Bryan is zo goed in poses, dat hij soms vergeet dat het een pose is. Ik schaam me voor zijn goedkope uitlatingen. De cliché’s verliezen met het ogenblik meer hun allure en dit is een dieptepunt.
Scott Fitzgerald laat Nick Carraway op een soortgelijke uitlating van Gatsby de volgende, ook op de onderhavige situatie van toepassing zijnde regel bedenken: ‘Deze zinnen waren zo tot op de draad afgesleten, dat zij geen ander beeld opriepen dan dat van een met een tulband getooid ‘type’ dat zaagsel strooiend uit iedere porie, een tijger achterna zit in het Bois de Boulonge.’
Maar dan: Scott Fitzgerald is Bryans lievelingsauteur en Gatsby is zijn favoriete karakter en in zijn overmoed vond Bryan onlangs zelf, dat hij de rol van Gatsby heel wat beter had kunnen spelen dan Robert Redford, die hij ook nog eens een nietsnut noemde. En zo klopt alles dus toch weer.

“Zo, je gaat dus vanavond naar het concert van The Sparks,” zegt Bryan onverwacht en plotseling wordt het beeld compleet. Hier zit iemand die zonder twijfel tot de besten en de intelligentsten behoort die de popmuziek ooit heeft opgeleverd en die er toch de tekenen van vertoont net zo onderworpen te zijn aan de alles verslindende machinerie van het succes als elke, veel minder tot relativeren in staat zijnde ster vóór hem. Die de top van zijn kunnen nog niet eens bereikt heeft en toch al bang is voor ‘last year’s fab rave’ aangezien te worden. Die steeds harder moet rennen omdat hij de hete adem van wat nieuwer, sensationeler en vooral jonger is, al in zijn nek denkt te voelen.
De popmuziek is een rat-race en zelfs de besten ontkomen daar blijkbaar niet aan.

With every goddess a let down
Every idol a bring down
It gets you down

zingt Bryan in het onvergetelijke Mother Of Pearl. En inderdaad, soms kan dat heel deprimerend zijn.

Juli 1974

*)Country Life

Originally published in De Volkskrant

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie

FRANK ZAPPA’s 200 MOTELS

FRANK_ZAPPA_6

Vanavond op Kanaal 24 een Zappa Memorial (20.30 tot 22.30) waarin voor het eerst in Nederland de film 220 Motels zal worden getoond. Ik was aanwezig bij de opnamen in 1971. Hieronder mijn verslag in Vrij Nederland van 13 februari van dat jaar.

FRANK ZAPPA’S EERSTE ECHTE FILM
VAN CONCENTRATIEKAMP TOT MOTELKAMER

Van maandag tot en met vrijdag vorige week werd in Blok C van de Pinewood Sudio’s, een kilometer of dertig buiten Londen, Frank Zappa’s eerste officiële film opgenomen 200 MOTELS. Daarmee werd dan, in niet meer dan vijf dagen tijd, een al ruim een jaar oud idee van Zappa gerealiseerd, namelijk een nieuwe popopera die in première zou moeten gaan tijdens het aanstaande Holland Festival, onder leiding van dirigent Edo de Waart. Het geld ontbrak evenwel voor de uitvoering van dit project en nadat er eerst nog sprake was geweest van een televisie-realisatie door de VPRO en een door de Duitse televisie, kreeg Zappa plotseling de gelegenheid om het geheel als bioscoopfilm uit te brengen.

In de herfst van vorig jaar nam Bizarre Productions, Zappa’s onafhankelijke platenmaatschappij, namelijk het Californische Murakami Wolf Productions, een kleine filmmaatschappij, in de arm en met hun medewerking lag er binnen een maand een contract met United Artists op tafel, die bereid bleek 630.000 dollar in het project te steken en die de hele soundtrack van de film gaat uitbrengen, ook al zal die vier LP’s in beslag nemen.
Blok C van Pinewood, de ruimte met de grootste geluidsmogelijkheden, werd voor vier weken afgehuurd; de eerste drie weken zullen worden besteed aan repetities met de muzikanten, de acteurs en de dansers, de laatste week, dat wil zeggen: vorige week, moesten de anderhalf uur film en de muziek opgenomen worden, een recordtijd die mogelijk werd door gebruik te maken van het meest geavanceerde kleuren-videosysteem, dat er op het ogenblik is. Speciale effecten, zoals solarisatie en vermenging van beelden, konden meteen, tijdens het filmen aangebracht worden en waren op een kleurenmonitor te zien.

Bij binnenkomst valt meteen een groot concentratiekamp op, Camp Untermunchen, waarin het honderd man tellende Royal Philharmonic Orchestra is opgesteld. (Dit orkest vormde een van de voornaamste redenen waarom de verfilming in Engeland plaats vond, het kostte namelijk maar honderd pond per dag.) ‘Work liberates us all’ staat er in gotische letters boven de met prikkeldraad en hooi beklede poort. De meeste muzikanten zijn in vol, zij het totaal verwilderd ornaat: vuilwitte open hangende vesten, gescheurde jacquets, overhemden zonder knopen, los bungelende vadermoordenaars, enzovoorts. Een deel van het orkest wordt omringd door een aantal op een verhoging staande vibrafonisten en slagwerkers die in een soort nazikostuums met petten en pistolen gekleed gaan. Een groene, met geschut
doorzeefde vliegtuigstaart completeert het grimmige beeld. Aan de boven het prikkeldraad en de wachttorens omhoog stekende reclameborden is te zien dat het hier om een Amerikaans concentratiekamp gaat. (Men denke ook even aan het nummer ‘Concentration Moon’ en de toelichting daarop op de plaat We’re Only In It For The Money.)
Buiten het hekwerd lopen de meest vreemdsoorting geklede figuren rond; zo bijvoorbeeld twee van de GTO’s, namelijk Miss Lucy – een van de twee oorspronkelijke GTO’s – en Miss Janet. Miss Lucy geregeld in topless, quasi geschrokken krijsend als Zappa haar en passant in de borst hapt, en zwaaiend met een veren boa; Miss Janet in stemmig paars en kauwgombellen blazend. Behalve de beide GTO’S, die een belangrijke rol in de film hebben – ze spelen de ‘rol’ van groupies en doen ook mee aan de spreek- en zangkoren – lopen er nog verschillende van de oorspronkelijke Mothers op set rond, die als acteurs en zangers aan ‘200 Motels’ meedoen.
Don Preston, lange tijd organist en pianist van de Mothers, nu leider van een eigen groep (Raw Milk), speelt zichzelf. Dat betekent dat hij onder meer het volgende telefoongesprek met Zappa moet voeren: ‘Hallo, wil je dat ik kom? Zeg, Frank, heb je ook enig idee wanneer we eens betaald kunnen worden?’ Onenigheid over de verdiensten was een van de redenen waarom de Mothers uit elkaar gingen.
Jimmy Carl Black, ‘the Indian of the group’, nu leider van een eigen groep, (Geronimo Black, zo genoemd naar zijn zoontje) speelt Cowboy Burtram, een roodnek die bij voorkeur communisten aftuigt en in zijn café “The Red Necks Eat”
met een schietautomaat oefent op het raken van langharige hippies. Zeer belangrijk is ook ‘Motorhead’ Sherwood, welbekend Mother van weleer, die fraai opgemaakt rondloopt en diverse frappante travestierollen vertolkt.
Verdere medewerkers: Theordore Bikel, die de rol van Rance Muhammitz speelt, het klassieke voorbeeld van de kapitalistische slechtaard. Hij belooft de, in een stadje in het middenwesten van Amerika gestrande popgroep van alles te voorzien zolang ze bereid zijn ‘er met hun bloed voor te tekenen.’
De Mothers van nu spelen gewoon zichzelf, uitgezonderd de zangers Mark (Volman) en Howie (Kaylan), die soms ook nog als groupies dienst doen. Zappa komt zelf in diverse gedaanten in de film voor, als een rubberen dummy; en gespeeld door niemand minder dan Ringo Starr, die Zappa’s alter ego Larry the Dwarf speelt. Hij vertoont, met een langerharige pruik en een zonnebril op een opvallende gelijkenis met het brein dat achter dit spektakel steekt.
De studiohal is, behalve met het concentratiekamp, grotendeels volgebouwd met het door Carl Schenkel (de ontwerper van alle Mothers- en overige Bizarre-hoezen) ontworpen kartonnen stadje Centerville, dat als wapenspreuk voert a real nice place to raise your kids in. Een tot aan de einder reikend Motel, een straatje met huizen en tuintjes, het roodnekken-café met aan en uit floepende lichtreclame ‘Eet Bier’, een bloederige slagerij en de plaatstelijke undergroundclub vormen er het centum van. In een doorsnee tienerkamertje, met aan de muur een foto van Motorhead en op de vloer platenhoezen van onder andere Mario Lanza (!) speelt zich veel van de interessantste actie af. Een vrijwel naakte Miss Lucy danst eruit naar buiten om in een rookwolk opgenomen te worden door een heftig bewegende groep dansers. De rubberen dummy van Miss Lucy wordt er verkracht door een naakte gemaskerde popster (Motorhead), met een reusachtige vibrator die een geluid maakt als een pneumatische boor. Ook een non met een fladderende sluier, rokken en gesteven kragen vliegt uit ditzelfde vertrekje de lucht in: twee studiolieden hangen terzijde met alle kracht aan een dik touw om het zover te krijgen. Als de non na veel hilariteit weer op het roze tienerbed is neergelaten blijkt uit het stoffige omhulsel van rokken en kragen tenslotte Keith Moon tevoorschijn te komen, de drummer van The Who, maar dan staan de camera’s alweer stil. “In de opzet van deze filmgebeurtenis is niets van wezenlijk belang. Veel subjectieve waarnemingen kunnen er naast elkaar in voorkomen, ook al is het mogelijk dat alles maar zinsbegoocheling is”, zoals de demonische Rance Muhammitz in de film opmerkt.

De Mothers staan zelf merendeels op een barok toneeltje. Hun muziek is gedeeltelijk die van de laatste concerten (in december), maar dan uitgebreid met koor en orkest. De nieuwe nummers die ik hoorde (o.a. This Town Is A Sealed Tuna Sandwich en Went On The Road) zijn buitengewoon goed en overtreffen de concerten bij verre. De vocalen van Mark en Howie en die van het koor, benevens de spreekstukken zoals die ook op het GTO album te horen zijn, met teksten over de lengte van popster-penissen en over de onleefbaarheid van Californië en Amerika in het algemeen, worden gedirigeerd door de jonge klassieke dirigent Henry Ward, die overigens weigert om een oordeel te geven over de muziek die hij onder handen heeft. Samen met Zappa dirigeert hij ook de Mothers. Voor het orkest, dat al eens eerder met een popgroep werkte, namelijk Deep Purple, is de dirigent Garry Howarth aangetrokken. Bij de Mothers is trouwens bassist Jeff Simmons verdwenen. Hij had geen zin in de film en zijn plaats is nu ingenomen door de chauffeur van Ringo Starr, Martin Lickert, die zich bescheiden op de achtergrond houdt.
Er wordt door de hele filmbemanning erg hard gewerkt. De opnamen zijn van acht uur ’s morgens tot vijf uur ’s middags en daarna gaan de Mothers apart nog door. Zappa is vaak tot diep in de nacht nog bezig met het herschrijven van de muziek, waarna hij evengoed om zes uur weer opstaat om op tijd op Pinewood Road te zijn. De film moet in vijf dagen klaar zijn, op een langere draaitijd is het budget niet berekend. Tot aan november van dit jaar zal Zappa zich vrijwel uitsluitend met de montage en de animatie van sommige stukken bezig houden en met het mixen van het geluid. De videotape zal dan getransformeerd worden tot een bioscoopfilm van de normale 35mm breedte.

Het ziet ernaar uit dat ‘200 Motels’ een vrij abstract karakter zal dragen. De vervormde beelden die op de monitor te zien waren en die voor een groot deel al de definitieve filmbeelden zijn, gaven daar al een voorporefje van. Het ‘verhaal’ zal voornamelijk muzikaal zijn. De film is volgens Zappa zelf ‘de essentie van een tijdperk uit de popwereld – een surrealistische extravagantie, die speelt in een verzonnen stad, een opera waarvan de lokaties variëren van concentratiekamp tot undergroundbioscoop, van motelkamer tot salamanderfarm – gezien door een rockgroep op toernee in 197?.’ Zowel in filmbeelden als in muziek zal gebruik worden gemaakt van anachronismen, verschillende stijlen en filmcitaten.

Het is, kortom, een logisch vervolg van wat Zappa allang op het toneel doet met theatrale en andere visuele elementen, maar nu voor de eerste keer volledig geraliseerd. Verschillende Zappa LP’s (Uncle Meat, Lumpy Gravy) droegen al het karakter van een soundtrack voor balletten en films die ‘het niet maakten’, of ‘waarvoor we nog niet het geld hadden om het te voltooien’. Van het succes van de film zal afhangen of Zappa in de toekomst meer films met ruimere geldmiddelen zal kunnen gaan maken. Hoe ‘de eerste rolprent die de elektronische vrijheid uitbuit, die door de popmzuiek werd ontdekt met de introductie van de elektrische versterking en de veelsporen opnametechniek’ het bij het publiek zal gaan doen is nog met geen mogelijkheid te zeggen. De portier van de Pinewoodstudio’s, een centrale figuur, die het script had gelezen, was er in elk geval niet al te zeer over te spreken. “Het is zeker niet de beste film die hier gemaakt wordt. Ik kan u zeggen dat we er bepaald niet trots op zijn dat hij hier vandaan komt.

13 februari 1971

Geplaatst in Algemeen | 5 Reacties

EEN ECHT HUIS (fragment)

05BestracaII

Foto Frederique Masselink-Van Rijn

(…)

Een echt huis heeft ruimte
en het kan er koud zijn, lekken
is niet uitgesloten, want de goten
zijn versleten en de loodgieter
is nog geen huisgenoot –
Wel schuift de wind er graag
aan tafel aan, altijd vrij binnenwaaiend
door kieren en reten

(…)

De tweede druk van De aarde, de aarde is deze week verschenen.
Ter gelegenheid daarvan een fragment uit een gedicht uit deze bundel, met een foto van Frederique, die ook de foto van het omslag maakte.

Geplaatst in De aarde de aarde | 2 Reacties

TWEE VLIEGEN IN ÉÉN PENNEKLAP

IMG_0385

Nu iedereen kan drukken,
niemand meer kan schrijven
en als er iets geschreven wordt
er beeld bij moet omdat tekst alleen
het niet meer doet –

is de tijd daar dat de dichter
terugkeert naar het handschrift

ongepubliceerd
Onderdeel van de serie Gedichten in het Digitale Tijdperk

Geplaatst in Ongepubliceerd | 2 Reacties

LIEVER BRIEVEN van JUDITH HERZBERG gelezen

Judith-Herzberg-Liever-brieven

Ik heb net de nieuwe bundel van Judith Herzberg gelezen. Mooie schone poëzie. Zoals je niet veel meer tegenkomt. Zonder enige overbodigheid van woorden en opsmuk. Een genoegen om te lezen.
Lichte, heldere gedachten, humoristisch ook. En af en toe nog ingewikkeld genoeg, van een Van Geelse verknooptheid soms.
Ook een dichter(es) die nog verstand heeft van ritme en op zijn tijd rijm op een zinvolle manier weet toe te passen. Waarmee op onnadrukkelijke wijze verbanden in de regels worden aangetrokken.
Ik verlangde er geheel vanzelfsprekend naar om alles nog een keer te lezen. Gebeurt me haast nooit.

TARGET

Er is verwarring over woorden:
mensheid en menselijkheid
waar het om misdaad gaat, begaan.
Waarom niet: misdaad tegen mensen
of tegen één. De termen slaan,
windgolven tegen wering, stuk.
Zoals atrocities ook als begrip
meteen uiteen spat.

Dat wat ons hoofd niet in wil,
of even maar, en graag verlaat,
wordt opgeslagen in ontheemde taal
in laden die geen laden zijn
in virtueel archief. Wij nemen het,
wij sussen ons. Dat wat slapeloos
zou moeten maken ons laat slapen
nemen wij voor lief.

Judith Herzberg
Liever brieven, De Harmonie

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie