HIER, WAAR WIJ LIEPEN

Hier, waar wij liepen
nog zo kort geleden

naar die duinpan, daar omhoog
is het pad verdwenen

overgroeid is het
en enkel nog betreden

door dor, afgevallen
blad en stenen – leven

is telkens verliezen
telkens afscheid nemen

van het verdriet
om alles dat niet

was zoals je had gedacht, niet
wezen kon zoals je het

had gezien; van die eerste
kus en die eerste kiem

van misverstand is het
misverstand gebleven

 

Gedicht: Elly de Waard, Het Zij
Eigen foto

Geplaatst in Algemeen | 8 Reacties

METROPOOL

METROPOOL

 

Taupe, molkleurig
kleine gestolde droppels, zuivere
metalen,
het hemelse iridium en in een stalen
frame gezet als glazen tegels
zijn de ramen van een torenflat.
Zij onderbreken de hemel met
weerspiegeling van hemel, trekken
hun raster over de wolken, hun
vierkant net.

 

Foto: Marijke Aveling, Approaching Rain
Gedicht: Elly de Waard, Onvoltooiing

 

Geplaatst in Algemeen | 3 Reacties

BIOGRAFISCHE NOTITIES (3)

Het was 1973.

Op 15 februari van dat jaar waren Chris en ik verhuisd naar het Vogelwater. Sindsdien was er een stoet van werklieden en vrienden die kwamen meehelpen langs getrokken om van het voormalige, ouderwetse pension een door twee enkelingen te bewonen huis te maken, dat de kenmerken van het oorspronkelijke jachthuis in de duinen weer eer zou aandoen.
Het grote voorhuis was gebouwd aan het eind van de 19de eeuw en had dus slechts enkelsteens muren die van een betengeling waren voorzien om voor enige isolatie te zorgen. Deze dunne binnenwand van riet, die met behang bij elkaar werd gehouden, hing, terwijl de muizen erachter renden, te wapperen aan het metselwerk en het eerste dat Chris dan ook deed toen we er introkken, was ze van de muren aftrekken. Om de wanden toonbaar te maken moest er zo snel mogelijk een stucadoor komen.
Het heeft mij altijd verbaasd hoe goed Chris, die in huis nooit iets kon vinden en bij het zoeken in kastjes, in bijvoorbeeld de keuken, altijd keek op plekken waar iets twintig jaar geleden had gestaan, als het nodig was deze dingen kon regelen. Hij wist precies wat hij wilde en binnen de kortste keren had hij dan ook een stucadoor uit Alkmaar gevonden die bekend stond als de beste uit de hele regio. Deze deed meteen het moeilijkste werk en dat was het repareren van de van fraai stucwerk voorziene plafonds in de drie grote, hoge kamers van het Vogelwater. Die waren aan de randen, waar de betengeling had vastgezeten, zwaar beschadigd.
Voor het stuccen van de muren zelf, het eenvoudiger werk, stelde hij zijn beste leerling voor, een jonge man – misschien pas zeventien of achttien – uit Bergen, die Jan Belt heette.
Het was een vreugde om Jan de ladders en de keukentrappen te zien oprennen met in de ene hand een houten plateau vol gips en in de andere een brede spatel. Het moeilijke van stucwerk is dat het snel en goed moet gebeuren omdat het vrijwel meteen droogt. Chris bleef er natuurlijk de hele tijd bij om aanwijzingen te geven en zeker ook om het vakmanschap te bewonderen. Op deze manier ontwikkelde zich al spoedig een uitstekende verstandhouding tussen hen beiden. Chris kon het trouwens altijd wel goed vinden met jongens die talent hadden en een beetje anders waren; of zelfs straatschoffies, zoals Ronnie, over wie ik dadelijk nog kom te spreken.
Jan Belt beschikte, zo jong als hij was, over een enorme, aan alle kanten rammelende Amerikaanse pooierbak van een auto en alleen dat al was een reden om van hem te houden, ook voor mij. En als hij dan de volgende dag vertelde hoe dit felgekleurde karkas op de Heereweg naar Bergen weer eens stil was blijven staan omdat de bezine op was en hoe handig hij dat verder weer geregeld had, dan vond Chris dat fantastisch en helemaal passend in het beeld dat hij van hem had.
Tijdens hun gesprekken onder het stuccen had Jan ook opgeschept over hoe hij zijn slaapkamer had ingericht en Chris had daarbij vanzelfsprekend ook geïnformeerd naar zijn omgang met het vrouwelijke geslacht. Daar deed Jan al sinds zijn twaalfde aan, hoorde ik dan weer van Chris.
Hoe het zover kwam, weet ik niet meer, maar toen Jan klaar was met het stucwerk van drie grote kamers en een kleinere, waren wij uitgenodigd om zijn slaapkamer te komen bekijken. Hij woonde nog bij zijn moeder thuis in een van de arbeiderswoningen in Bergen-Oost en bij onze entree via de keuken maakten wij ook kennis met haar. Trap op, dadelijk naar de bovenverdieping. En het was inderdaad verbazend. Jan was er in geslaagd om het simpele kamertje van top tot teen in bruin kunstbont te steken: vloer, binnenkant van de deur, muren, raamlijst, spiegelranden en zelfs het hele plafond. Zou er al stucwerk achter gezeten hebben, dan was dat op even deskundige wijze weer weggewerkt. Pronkstuk was natuurlijk het bed waarvan het bont niet bruin maar felrood was.
Wie had dit achter de jonge stucadoor gezocht? Het was de jeugdige verbeelding van een nestje op de Amsterdamse Wallen.

De toestroom van werklui zette zich tot diep in de zomer voort. Onder hen was ook een zekere Ronnie uit de Amsterdamse Jordaan, jonger nog dan Jan Belt, een jaar of veertien. Edgar Hardy had hem ingebracht. Edgar kenden wij al heel lang. Als zoon van een vriendin (Willie Hardy) van Chris en een soort halfzoon van haar minnaar Armando, kwam hij al jaren in Groet bij ons logeren en hij was een vaste hulp voor klussen. Edgar ging regelmatig naar India, een populaire bestemming in die dagen. Ik meld dit vanwege het bijzondere feit dat  Jan Emmens een van zijn verhalen in een gedicht onderbracht: Oosterse Wijsheid.

Barend komt thuis, na zich als een beer
te hebben geweerd in bordelen van Bombay.
Aardige wijven, zegt hij, zo vrolijk, ze dansen,
doen alles wat je maar wilt,
maar India gaat naar de bliksem:
de boeren denken alleen aan zichzelf.  

(Verz.Ged. 95)

Chris’ verstandhouding met Ronnie groeide net zo hard als die met Jan Belt en toen Edgar weer naar Amsterdam terug moest bleef Ronnie, die enorm tegen Chris opkeek en hem in alles volgde, op het Vogelwater.
Zo liepen die twee op een vroege ochtend door de enorme bostuin, Ronnie met een sikkel in de hand en Chris met een wandelstok. Chris wees aan wat weg moest en Ronnie hakte het af. Ze kwamen een grote distel tegen en Ronnie vroeg: ‘Moet die klever blèfe?’ ‘Ja, natuurlijk!’, zei Chris meteen op bijna verontwaardigde toon. Rats! De sikkel had de plant al omgehaald. ‘Wat doe je daar, verdomme?’ riep Chris nu met volle verontwaardiging. ‘En je zegt net dattie plète moet!’ verdedigde Ronnie zich. Chris vond het, toen dit misverstand was opgehelderd, natuurlijk een heel mooi voorbeeld van taalverwarring.

Zoveel maanden van een voor ons zeer ongewoon bestaan begonnen echter hun tol te eisen. Chris’ humeur leed hier het meest onder. Achteraf ben ik er wel zeker van dat hij toen al moet hebben geleden aan de kanker waaraan hij nog geen jaar later zou overlijden. Dat maakt echter zijn pestgedrag, bij voorkeur in de aanwezigheid van Ronnie, tegenover mij er misschien wel begrijpelijker maar niet minder vernederend op. In elk geval besloot ik tot iets wat ik nooit eerder gedaan had: ik ging weg. Zoek het maar uit, mannen, maak zelf je potje ook maar klaar. (Later bleek dat Ronnie inderdaad meteen de opdracht had gekregen om te zorgen dat er elke dag wat te eten was.)
Na een aantal dagen nam ik telefonisch eens poolshoogte. Mijn voorwaarde voor terugkomst was dat Ronnie weg moest zijn en dat de dagelijkse gang van zaken van voor de verhuizing in elk geval voor enige tijd hersteld moest worden, ook al was het huis dan nog lang niet klaar. Gewoon weer zoals altijd opstaan, aan de gedichten en daarna weer elk aan zijn eigen werk. Chris stemde hiermee in, maar had Ronnie kennelijk pas op het allerlaatste ogenblik weggestuurd, want toen ik op het afgesproken tijdstip het duinterrein inreed kwam ik hem tegen. Hij groette mij besmuikt terwijl hij er toch weinig aan kon doen dat Chris hem medeplichtig had gemaakt. Thuis bleek dat er een afwas van dagen op het aanrecht stond. Soms kan ik daar ook nu, al is het decennia later, als ik eraan denk, nog steeds woedend over worden.
Maar er stonden ons erger dingen te wachten.
In augustus werd Chris’ enige zoon, Chrisje, dood gevonden in een park in Amsterdam.
En eind december van dat jaar werd Chris zelf geveld, hij moest naar het ziekenhuis en keerde niet meer terug op het Vogelwater.
Het lot dat Jan Belt te wachten stond was echter gruwelijker. Hij kwam al spoedig in de criminaliteit terecht en werd een drugsbaron die in de jaren negentig in zijn pand aan de Schapenlaan in Bergen, op Siciliaanse maffiawijze vermoord, werd gevonden, armen aan de leuningen van zijn gemakkelijke stoel gespijkerd en verder achtergelaten op de wijze die men in die kringen voor collega’s die hun mond voorbij praten heeft bedacht.

 

Elly de Waard, juni 2018
Foto: Frederique van Rijn: Plafond salon Vogelwater (uitsnede)

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie

‘DAT ZIJ NIET MEER MENSELIJKS HAD…’

 

Ik voelde dat
ik mijn liefde torste

als een buitenaards stuk
steen dat in mijn borst te

stralen lag en dat voorheen
in de ruimte in

een verre zon
te schijnen had gelegen

en dat zij mij
verpletterde omdat zij van

een andere stof
een ander soortelijk

gewicht, een andere
sterfelijkheid was dan

de mijne

 

Elly de Waard: Eenzang Twee
Titel afkomstig uit Lucebert

Geplaatst in Algemeen, Eenzang Twee | 1 reactie

VISIOEN VAN LATER

 

Of ik vergetend nog zou kunnen dichten
vroeg ik mij af en ik zag het dadelijk voor me

de lepidopteroloog, die de fladderende
gedachten die hem ontstegen

als een Nabokov aan het najagen was
met een vlindernet om ze terug te halen

voorzichtig vangen, niet beschadigen!
opdat ze kunnen bestudeerd op afkomst

context en structuur, aaneen geregen, vast
geprikt tenslotte op stijve vellen wit papier

 

Foto: Nabokov
Gedicht: Elly de Waard, ongepubliceerd

Geplaatst in Algemeen | 5 Reacties