BIOGRAFISCHE NOTITIES (3)

Het was 1973.

Op 15 februari van dat jaar waren Chris en ik verhuisd naar het Vogelwater. Sindsdien was er een stoet van werklieden en vrienden die kwamen meehelpen langs getrokken om van het voormalige, ouderwetse pension een door twee enkelingen te bewonen huis te maken, dat de kenmerken van het oorspronkelijke jachthuis in de duinen weer eer zou aandoen.
Het grote voorhuis was gebouwd aan het eind van de 19de eeuw en had dus slechts enkelsteens muren die van een betengeling waren voorzien om voor enige isolatie te zorgen. Deze dunne binnenwand van riet, die met behang bij elkaar werd gehouden, hing, terwijl de muizen erachter renden, te wapperen aan het metselwerk en het eerste dat Chris dan ook deed toen we er introkken, was ze van de muren aftrekken. Om de wanden toonbaar te maken moest er zo snel mogelijk een stucadoor komen.
Het heeft mij altijd verbaasd hoe goed Chris, die in huis nooit iets kon vinden en bij het zoeken in kastjes, in bijvoorbeeld de keuken, altijd keek op plekken waar iets twintig jaar geleden had gestaan, als het nodig was deze dingen kon regelen. Hij wist precies wat hij wilde en binnen de kortste keren had hij dan ook een stucadoor uit Alkmaar gevonden die bekend stond als de beste uit de hele regio. Deze deed meteen het moeilijkste werk en dat was het repareren van de van fraai stucwerk voorziene plafonds in de drie grote, hoge kamers van het Vogelwater. Die waren aan de randen, waar de betengeling had vastgezeten, zwaar beschadigd.
Voor het stuccen van de muren zelf, het eenvoudiger werk, stelde hij zijn beste leerling voor, een jonge man – misschien pas zeventien of achttien – uit Bergen, die Jan Belt heette.
Het was een vreugde om Jan de ladders en de keukentrappen te zien oprennen met in de ene hand een houten plateau vol gips en in de andere een brede spatel. Het moeilijke van stucwerk is dat het snel en goed moet gebeuren omdat het vrijwel meteen droogt. Chris bleef er natuurlijk de hele tijd bij om aanwijzingen te geven en zeker ook om het vakmanschap te bewonderen. Op deze manier ontwikkelde zich al spoedig een uitstekende verstandhouding tussen hen beiden. Chris kon het trouwens altijd wel goed vinden met jongens die talent hadden en een beetje anders waren; of zelfs straatschoffies, zoals Ronnie, over wie ik dadelijk nog kom te spreken.
Jan Belt beschikte, zo jong als hij was, over een enorme, aan alle kanten rammelende Amerikaanse pooierbak van een auto en alleen dat al was een reden om van hem te houden, ook voor mij. En als hij dan de volgende dag vertelde hoe dit felgekleurde karkas op de Heereweg naar Bergen weer eens stil was blijven staan omdat de bezine op was en hoe handig hij dat verder weer geregeld had, dan vond Chris dat fantastisch en helemaal passend in het beeld dat hij van hem had.
Tijdens hun gesprekken onder het stuccen had Jan ook opgeschept over hoe hij zijn slaapkamer had ingericht en Chris had daarbij vanzelfsprekend ook geïnformeerd naar zijn omgang met het vrouwelijke geslacht. Daar deed Jan al sinds zijn twaalfde aan, hoorde ik dan weer van Chris.
Hoe het zover kwam, weet ik niet meer, maar toen Jan klaar was met het stucwerk van drie grote kamers en een kleinere, waren wij uitgenodigd om zijn slaapkamer te komen bekijken. Hij woonde nog bij zijn moeder thuis in een van de arbeiderswoningen in Bergen-Oost en bij onze entree via de keuken maakten wij ook kennis met haar. Trap op, dadelijk naar de bovenverdieping. En het was inderdaad verbazend. Jan was er in geslaagd om het simpele kamertje van top tot teen in bruin kunstbont te steken: vloer, binnenkant van de deur, muren, raamlijst, spiegelranden en zelfs het hele plafond. Zou er al stucwerk achter gezeten hebben, dan was dat op even deskundige wijze weer weggewerkt. Pronkstuk was natuurlijk het bed waarvan het bont niet bruin maar felrood was.
Wie had dit achter de jonge stucadoor gezocht? Het was de jeugdige verbeelding van een nestje op de Amsterdamse Wallen.

De toestroom van werklui zette zich tot diep in de zomer voort. Onder hen was ook een zekere Ronnie uit de Amsterdamse Jordaan, jonger nog dan Jan Belt, een jaar of veertien. Edgar Hardy had hem ingebracht. Edgar kenden wij al heel lang. Als zoon van een vriendin (Willie Hardy) van Chris en een soort halfzoon van haar minnaar Armando, kwam hij al jaren in Groet bij ons logeren en hij was een vaste hulp voor klussen. Edgar ging regelmatig naar India, een populaire bestemming in die dagen. Ik meld dit vanwege het bijzondere feit dat  Jan Emmens een van zijn verhalen in een gedicht onderbracht: Oosterse Wijsheid.

Barend komt thuis, na zich als een beer
te hebben geweerd in bordelen van Bombay.
Aardige wijven, zegt hij, zo vrolijk, ze dansen,
doen alles wat je maar wilt,
maar India gaat naar de bliksem:
de boeren denken alleen aan zichzelf.  

(Verz.Ged. 95)

Chris’ verstandhouding met Ronnie groeide net zo hard als die met Jan Belt en toen Edgar weer naar Amsterdam terug moest bleef Ronnie, die enorm tegen Chris opkeek en hem in alles volgde, op het Vogelwater.
Zo liepen die twee op een vroege ochtend door de enorme bostuin, Ronnie met een sikkel in de hand en Chris met een wandelstok. Chris wees aan wat weg moest en Ronnie hakte het af. Ze kwamen een grote distel tegen en Ronnie vroeg: ‘Moet die klever blèfe?’ ‘Ja, natuurlijk!’, zei Chris meteen op bijna verontwaardigde toon. Rats! De sikkel had de plant al omgehaald. ‘Wat doe je daar, verdomme?’ riep Chris nu met volle verontwaardiging. ‘En je zegt net dattie plète moet!’ verdedigde Ronnie zich. Chris vond het, toen dit misverstand was opgehelderd, natuurlijk een heel mooi voorbeeld van taalverwarring.

Zoveel maanden van een voor ons zeer ongewoon bestaan begonnen echter hun tol te eisen. Chris’ humeur leed hier het meest onder. Achteraf ben ik er wel zeker van dat hij toen al moet hebben geleden aan de kanker waaraan hij nog geen jaar later zou overlijden. Dat maakt echter zijn pestgedrag, bij voorkeur in de aanwezigheid van Ronnie, tegenover mij er misschien wel begrijpelijker maar niet minder vernederend op. In elk geval besloot ik tot iets wat ik nooit eerder gedaan had: ik ging weg. Zoek het maar uit, mannen, maak zelf je potje ook maar klaar. (Later bleek dat Ronnie inderdaad meteen de opdracht had gekregen om te zorgen dat er elke dag wat te eten was.)
Na een aantal dagen nam ik telefonisch eens poolshoogte. Mijn voorwaarde voor terugkomst was dat Ronnie weg moest zijn en dat de dagelijkse gang van zaken van voor de verhuizing in elk geval voor enige tijd hersteld moest worden, ook al was het huis dan nog lang niet klaar. Gewoon weer zoals altijd opstaan, aan de gedichten en daarna weer elk aan zijn eigen werk. Chris stemde hiermee in, maar had Ronnie kennelijk pas op het allerlaatste ogenblik weggestuurd, want toen ik op het afgesproken tijdstip het duinterrein inreed kwam ik hem tegen. Hij groette mij besmuikt terwijl hij er toch weinig aan kon doen dat Chris hem medeplichtig had gemaakt. Thuis bleek dat er een afwas van dagen op het aanrecht stond. Soms kan ik daar ook nu, al is het decennia later, als ik eraan denk, nog steeds woedend over worden.
Maar er stonden ons erger dingen te wachten.
In augustus werd Chris’ enige zoon, Chrisje, dood gevonden in een park in Amsterdam.
En eind december van dat jaar werd Chris zelf geveld, hij moest naar het ziekenhuis en keerde niet meer terug op het Vogelwater.
Het lot dat Jan Belt te wachten stond was echter gruwelijker. Hij kwam al spoedig in de criminaliteit terecht en werd een drugsbaron die in de jaren negentig in zijn pand aan de Schapenlaan in Bergen, op Siciliaanse maffiawijze vermoord, werd gevonden, armen aan de leuningen van zijn gemakkelijke stoel gespijkerd en verder achtergelaten op de wijze die men in die kringen voor collega’s die hun mond voorbij praten heeft bedacht.

 

Elly de Waard, juni 2018
Foto: Frederique van Rijn: Plafond salon Vogelwater (uitsnede)

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie

‘DAT ZIJ NIET MEER MENSELIJKS HAD…’

 

Ik voelde dat
ik mijn liefde torste

als een buitenaards stuk
steen dat in mijn borst te

stralen lag en dat voorheen
in de ruimte in

een verre zon
te schijnen had gelegen

en dat zij mij
verpletterde omdat zij van

een andere stof
een ander soortelijk

gewicht, een andere
sterfelijkheid was dan

de mijne

 

Elly de Waard: Eenzang Twee
Titel afkomstig uit Lucebert

Geplaatst in Algemeen, Eenzang Twee | 1 reactie

VISIOEN VAN LATER

 

Of ik vergetend nog zou kunnen dichten
vroeg ik mij af en ik zag het dadelijk voor me

de lepidopteroloog, die de fladderende
gedachten die hem ontstegen

als een Nabokov aan het najagen was
met een vlindernet om ze terug te halen

voorzichtig vangen, niet beschadigen!
opdat ze kunnen bestudeerd op afkomst

context en structuur, aaneen geregen, vast
geprikt tenslotte op stijve vellen wit papier

 

Foto: Nabokov
Gedicht: Elly de Waard, ongepubliceerd

Geplaatst in Algemeen | 5 Reacties

BIOGRAFISCHE NOTITIES (2)

Gisteren, tijdens mijn optreden in Gorkum, overkwam me iets ongelooflijks, een gebeurtenis die mij schokte en die mij ook als bijna onbestaanbaar van toevalligheid voorkwam.
De entourage was een zeer levendige bijeenkomst ten huize van de Salon voor Poëzie waar zo’n vijfendertig mensen aanwezig waren.  Ik werd geïnterviewd en las voor. Ik kwam ook, eigenlijk tegen mijn zin maar er werd naar gevraagd, te spreken over de oprichting van De Nieuwe Wilden en ons desastreuze laatste optreden, met de Maximalen in het Utrechtse Vredenburg. Het publiek schaterde het uit door de wijze waarop ik erover vertelde en ikzelf moest ook erg lachen. Het is toch wel geweldig dat je, jaren na dato, van zulke rampzalige gebeurtenissen uiteindelijk de humor in kunt zien. En het was indertijd beslist ook een evenement; met mondige en capabele vrouwen in de hoofdrol: een strijd tussen de sexen die op het kunstzinnige vlak heel letterlijk werd uitgevochten.
In goedgehumeurdheid en lacherigheid werd de pauze aangegaan.
Ik was blij om even naar buiten te kunnen om de parkeerbon voor de auto te vernieuwen. Als ik zoiets intensiefs gedaan heb, wil ik graag even op mezelf zijn en er niet steeds met mensen verder over hoeven te praten. Ik ben bij voorkeur vaak alleen. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet kan genieten van dit soort optredens of van op andere wijze met mensen omgaan.
Het was schitterend weer en zeer warm voor september en het tweede deel van de middag vond dan ook plaats in de tuin. Een mooie, diepe stadstuin, tussen hoge muren met sierlijke kleine ramen aan de ene kant, bomen, struiken en bloemen aan de andere kant en veel gazon. Huizen eromheen. Pas na afloop zag ik dat iemand van een balkon van een huis aan de achterzijde had meegeluisterd en -gekeken. Hij zwaaide toen ik hem eindelijk opmerkte. Ik zwaaide verrast en blij terug.
Dit gedeelte werd ingeleid door drie mensen uit het publiek die zich verdiept hadden in een gedicht van mij en dit voorlazen, waarna ze uitlegden wat ze erin hadden gezien en waarom ze het hadden gekozen. Ik vond het bijzonder dat hun intonatie meteen goed was, waardoor ik, al voor zij het uitlegden, kon horen dat zij het begrepen hadden.
Daarna gebeurde het dat ik meer een poëzie-college gaf dan dat ik nog voorlas. Maar als mensen dat snappen is dat heerlijk.
Het was, samenvattend, een bijzondere middag, voor mij en voor het publiek en dat klinkt te plat voor wat het werkelijk is: wederzijdse overdracht.

In de pauze was er al een aantal boeken verkocht die ik had moeten signeren en na afloop waren dat er nog aanzienlijk meer. Op een grote tafel in de kamer, waar het eerste deel van de middag had plaats gevonden, lagen aan de ene kant de boeken die Marijke had meegenomen, aan de andere kant mijn boeken uit het Antiquariaat  Gorcum dat de organisator van de Salon voor Poëzie is.
Op een gegeven moment komt een van de aanwezigen mij vragen of ik een exemplaar van Een Wildernis van Verbindingen wil signeren, ondanks het feit, zegt zij, dat er al een opdracht en een handtekening in staan. Ik sla de titelpagina open en zie in mijn eigen handschrift  staan: ‘voor C., onder meer in verband met de gedichten 50 en 75, Elly, 1986′.
Het duurt even voor volledig tot mij doordringt dat C. dus mijn boeken met de gedichten voor haar en de opdrachten aan haar, heeft weggedaan.
Het is nu september 2006, Wildernis verscheen in oktober 1986, het is bijna twintig jaar geleden.
In september 1986 kwam zij op mijn verjaardag. Ik nam toen een foto van haar, die nog steeds op het dressoir in de grote kamer van het Vogelwater staat. Meteen na die dag reisde ik af naar Worpswede, in Duitsland, waar ik op een beurs een maand lang zou verblijven om er te werken. Maar ik vertrok niet dan nadat ik bij Diana Blok in Amsterdam was langs geweest om de foto’s op te halen, die zij kort daarvoor had gemaakt van het bestuur waar ik samen met C. in zat. Prachtige foto’s, ze hangen ingelijst nu al jaren hier in de gang. Ik wilde ze toen graag mee hebben naar Duitsland om er in eenzaamheid naar te kunnen kijken en om aan mijn verlangen naar haar tegemoet te komen. We waren nog niet naar bed geweest, maar het werd steeds zekerder dat het daarvan zou komen.
Tijdens dat verblijf van een maand belde zij onder meer vanuit de Buchmesse in Frankfurt. En we spraken een keer af in Deventer, waar zij in oktober een cursusdag had. Deventer leek me te doen vanuit Worpswede en ik reed er in een halve dag heen. We aten in een restaurant aan de rivier en na afloop, toen ik haar in de auto naar het station bracht, heb ik haar voor het eerst gekust. Vol van deze vrijpartij reed ik in de nachtelijke uren terug naar Worpswede.
Tussentijds ben ik ook nog eens naar huis gereden om het gedicht voor haar, dat Jaap Meijer*) op mijn verzoek in een bibliofiel uitgaafje voor haar verjaardag had gedrukt, op te halen en om dat aan haar, in Amsterdam, te geven. Ik geloof dat ik haar bijna de hele oplage cadeau heb gedaan.
En in oktober, toen ik terug was eindelijk, kwam Wildernis uit, de bundel waarin ik de mentale chaos van een andere verloren relatie gestalte had gegeven en waarin haar, C.’s, komst als geliefde, in twee gedichten werd aangekondigd.
Ik ben verbaasd over het vele dat, nu ik in dit verleden afdaal, bij mij boven komt. Het is meer dan ik hier kwijt kan.
Toen de bundel uitkwam heb ik hem haar, met die opdracht, gegeven.

Het is voor mij onbegrijpelijk dat zij dit boek en zonder twijfel ook alle andere, zonder de opdrachten af te plakken of eruit te scheuren, heeft weggedaan. Of waarom heeft zij ze, als ze ze toch kwijt wilde, niet aan mij terug gegeven?
Ook al realiseer ik mij al deze dingen op het ogenblik dat ik de bundel in handen krijg gedrukt niet zo expliciet als ik ze nu heb uitgeschreven, in mijn gevoel van dat eerste ogenblik zijn ze vervat. Het is het gevoel van iemand die even knock-out wordt geslagen, maar die, vóór de laatste tel uitgesproken is, toch weer overeind komt.
En ik schrijf eronder: ‘Nu, een later moment, Gorkum, 16 september 2006’ en zet mijn naam er volledig uitgeschreven onder.

17 september 2006

Foto: Diana Blok (uitsnede)
*) Jaap Meijer was in die periode een hoog gewaardeerde bibliofiele drukker

Geplaatst in Algemeen | 2 Reacties

DE TOEKOMST VAN GEWEEST ZIJN

In onze grote huizen
branden vele lichten, maar
onder schemerlampen
lezen wij gedichten

O zachtgroen glazen bureaulampje
dat staat te dralen
In de onverbiddelijke wind
en fonkelend kille avond
met zijn nog niet eens zo kale
bomen, hier en daar zelfs groen –

Uw tere schijnsel
zal ook de herinnering
aan betere tijden niet bewaren
toen in onze grote huizen
wij gedichten lazen in een mild
en regenrijk seizoen –

 

Beeld: Residence, Een kamer op de benedenverdieping van het Vogelwater
Gedicht: Elly de Waard, De aarde, de aarde

Geplaatst in Algemeen | 3 Reacties