IK VROEG HET

Ik vroeg het en mijn hart
sloeg door mijn hele
lichaam heen, ik vroeg
het zonder woorden;

geef een teken, smeekten
mijn ogen, maar zij
zweeg of zij ze niet
begreep en wendde

de hare van mij heen.
Ik vroeg het en ik keek
haar aan, mijn zacht
gestelde vraag kwam

als een bliksem bij
haar aan, zo leek het,
want zij bukte zich
als om hem te ontgaan.

Ik boog mijn hoofd
niet, bleef haar uit de
hoogte, of ik trots
was op mijn bede,

of mijn smeken een
bevel was, aanzien.
Het nam seconden
in beslag voor zij

haar evenwicht hervond
en eindelijk zacht, maar
vastberaden, haar korte
weigering weerklonk.

Zij weet het en nog steeds
klopt in mijn keel mijn
hart – maar ik hernam,
alsof er niets

gebeurd was, mijn gewone
gang, liep langs haar heen.
In het grote huis
gingen wij elk ons

weegs, wij sliepen niet
tezamen, maar ook
gescheiden van elkaar
sliepen wij niet.