Over het leven met Van Geel


Via een slingerend bospaadje bereikte je het huis. Het groene houten tuinhekje aan de Achterweg in Groet was achter je dichtgeklapt en links en rechts strekten zich grote stukken bosgrond uit. Dicht op elkaar gegroeide, tamelijk hoge bomen, eronder een struikgewas dat onder meer uit hondsroos en braam bestond, de bodem bedekt met klimop, die zich ook om stammen heen slingerde.
Tegen het duin op werden de bomen lager en kronkeliger. Het waren eiken, die soms zo dicht tegen de grond aangegroeid waren dat je wel een paar meter lang horizontaal op de stam kon zitten. Sluipeiken noemde Chris ze. De wind uit de polder, zei hij, hield ze laag.

O wat zijn de bomen prachtig,
Die uit de grond zijn opgehaald,
Houten delfstof
Waaraan kameleonachtig
Gave fossielen hangen,
Ieder jaar groen. Ieder jaar dor.

Waarom wringen zij zich in bochten?
Is de ruimte dan toch
Oog van een naald?

Dit gedicht was in al zijn adembenemende paradoxale diepzinnigheid, in al zijn schijnbare en toch zo ware onbevangenheid een van de redenen dat ik daar langs dat tuinpad liep. En dat andere natuurlijk.

Februari ‘55

Reeds weken ligt de sneeuw met opgetrokken lippen
Te krimpen in de wind, te drogen aan zijn dorst.
Hij sterft niet aan de dooi, hij sterft aan vorst.
Er stuiven korrels van zijn huid om te gaan drinken.

Maar februari was het nog niet en de sneeuw moest nog vallen. Halverwege het bospaadje boog een zijpad naar rechts af om langs een open plek, waar stammen lagen en waar een bok stond, te voeren naar een klein, houten tuinhuis. Rechtdoor bereikte je een met enorme tegels geplaveid pleintje, waar het huis onmiddellijk aan oprees. ‘Oprees’ is hier het juiste woord want doordat het tegen het duin was opgebouwd, leek het reusachtig groot. Wat de parterre leek was echter, op een diepe kelder na, gevuld met zand. Het woongedeelte begon pas op de eerste verdieping, maar bevond zich aan de achterzijde, waar het duin als het ware was ingehaald, gelijkvloers. Bovenop de rechte contouren was nog een torenkamer geplaatst. Links van de geplaveide plaats stond een met riet gedekte houten hut, die tegen de huiskolos was aangeschoven. Om architectonische samenhang te verkrijgen, was de stenen buitenwand van het huis daar betimmerd met hetzelfde lattenpatroon als de hut. Rechts voerde een trap met een sierlijke ijzeren leuning eerst enkele treden langs de voorkant, dan de hoek om langs de rechterzijde naar omhoog – meestijgend met het duintalud –naar de imposante voordeur.
Het huis was wit en roze geschilderd en ik dacht er altijd aan als aan een lieflijke burcht. Twee stevige steunberen hielpen beneden immers de druk van het wispelturige duinzand te weerstaan en boven, onder de daklijst, staken een soort omgekeerde, horizontaal ingemetselde rode bloempotten als schietgaten naar buiten. Een rood haantjes troonde in reliëf als een wapen midden op het blinde stuk van de torenmuur. Het was een zondagmiddag in december 1962. Ik was tweeëntwintig jaar.
In de woonkamer brandde een grote, zwarte atelierkachel van het merk Etna. Ik zat er in een lage leunstoel naast en pas van daaruit kon ik zien dat het lieflijke van de burcht niet zozeer sprak uit de roze en witte kleuren ervan, maar veeleer uit de achterzijde, waar vijf pilaren het latwerk droegen dat zich over een terras spande. Een duinroos en een wingerd groeiden eroverheen. De rozebottels stonden helder afgetekend tegen de winterlucht boven het duin. Er was een grasveld dat licht glooide en dat zich achter het hek voortzette in een duinvallei. Er waren sluipeiken. Het was een ruime, open en toch beschutte plek, naar het huis toe afgerond in het terras. Tuindeuren en brede ramen kwamen er vanuit de kamer op uit.
Het huis was een burcht en een prieel tegelijk en, vreemd genoeg, daarin leek het een beetje, meende ik, op zijn bewoner.
Chris was zonder twijfel een mooie man. Ik hoef daar niet over uit te weiden; de vele foto’s die er van hem gemaakt zijn spreken voor zichzelf. Het was niet te eerste keer dat ik hem zag, maar wel de eerste keer van zo nabij en persoonlijk. Ik had hem wel eens zien fietsen in Bergen, waar ik woonde. En ik had hem een keer zien en horen optreden – een volstrekte zeldzaamheid, zoals later bleek; ook aan Poëzie in Carré wilde hij niet meedoen – in de filmzaal van de Rustende Jager in Bergen. Tijdens een door het plaatselijke kunstenaarscentrum georganiseerde poëziemanifestatie. Het hele verschijnsel van optredende dichters was toen trouwens nog een zeldzaamheid. Men moest nog op de gedachte komen dat poëzie ook kon klinken. Het was misschien een jaar daarvoor geweest dat hij, tezamen met Roland Holst, Maurits Mok, Bert Schierbeek, Lucebert en nog een achttal anderen voorlas en ik vond zijn bijdrage aan deze avond, met zijn inleiding over Moby Dick en zijn zo goed gearticuleerde, waardige en licht gedreven voordracht, in mijn jeugdige zwart-witheid verreweg de beste. De enige goede eigenlijk. Het was of hij met zijn articulatie aan elke lettergreep de haar toekomende waarde gaf; hij las met helderheid, precisie en bevlogenheid.

Ik studeerde Nederlands in Amsterdam en was op deze decembermiddag naar hem toegekomen omdat ik gelezen had – in een raamadvertentie bij boekhandel De Haan in Bergen – dat hij iemand zocht om hem bij het ordenen van zijn gedichten te helpen.
En zo zat ik nu in de grote atelierkamer van het door de beeldhouwer John Raedecker gebouwde huis. De ramen vielen daar het eerste op. Het grootste, op het noorden natuurlijk, reikte vanaf het met balken doorschoten plafond tot de roodplavuizen vloer en zag, door en over de kale bomen van de tuin heen, uit op de polder, de zichtbaar ‘holle polder’. In der verte kropen langs de weg langs het Noordhollands Kanaal als mieren de auto’s.
De oostelijke wand was bedekt met een boekenkast met wat meer dan duizend boeken moesten zijn. Delen ervan waren in één kleur ingebonden, dat was de bibliotheek van grootvader Van Geel. Chris vertelde dat het in die de tijd de gewoonte was geweest dat mensen hun, vanzelfsprekend gebonden, boeken lieten overtrekken in de éne kleur die zij voor hun bibliotheek hadden gekozen. Du Perron had het ook nog gedaan. De kleur van grootvader Van Geel was: rood. Rood was ook het fijngeweven wollen kleed dat over het brede bed lag aan de voet van de boekenkast. Eronder was nog het gewonere, zwart met wit gestreepte overkleed zichtbaar.

Uit het zwart en witte bed,
de vloeren van rood lak
’s ochtends in de voorzichtige tuin,
op paden geschikt puin langzaam begraven
en zonder dringen overgroeid door gras,
door klimop en een enkele bloem,
zoals wij dromen, zien
ongezien, luisteren onbeluisterd

Dit gedicht uit de reeks Slaapwandelen kende ik toen nog niet. De hele reeks zou pas ruim een week laten in de kersteditie van Vrij Nederland verschijnen.
Het rode kleed was van Charley Toorop geweest, vertelde Chris. De ‘vloeren van rood lak’ moest de betegelde woonkamervloer zijn, waarvan, zo vertelde hij, bij het feest dat de Raedeckers in 1939 ter inwijding van het huis hielden, het glazuur in één nacht afgedanst was; een verhaal dat erg tot mijn verbeelding sprak.
Hij zag er zelf zo mooi en verzorgd uit in zijn broek met modern nauw toelopende pijpen. Suède halfhoge schoenen – zogenaamde booties, zijn lievelingsschoeisel – completeerden zijn uiterlijk. Hij had heel mooie, zeer verzorgde handen, waarvan de duimen heel ver door konden buigen omhoog, iets dat hij zelf een ‘Indonesische’ eigenschap wenste te noemen.

Het ‘op paden geschikte puin’ uit het gedicht, zo leerde ik al spoedig, kwam uit de kachel en diende om het bospad te verharden. Ik weet niet of het bij deze gelegenheid was of een andere keer dat ik het volgende gedicht onder ogen kreeg. Ik denk toch dat het iets laten was. Maar de herinnering komt nu bij me op vanwege de beschrijving van zijn uiterlijk. In elk geval valt de oorspong ervan in deze periode waarin hij, door ongehuisvest zijn thuis – hij was alleen in die tijd – regelmatig naar de stad ging en vrienden, ook veel nieuwe vrienden zoals de Gompertsen en de Van Leeuwens (Judith Herzberg) bezocht.

DROOM

In prachtig fluwelen loverbezet
pak op feesten, rijkaard tussen rijken.
In minder diepe slaap wakker, keuze
niet begrijpen voor dit dor papier,
dor blad buiten.

Rijkaard in gedachten,
arm niet op zijn ongemak.

Een gedicht dat zeker uitdrukking gaf aan een aspect van zijn levensgevoel.
Chris zat aan de andere kant van de kachel, aan de antieke, ronde eiken tafel, waarboven een mooi melkglazen kapje hing met ingewerkte bloemen. Een open trap in de hoek van de kamer voerde naar de torenkamer. Links van de schoorsteenmantel, waarvan het stookgat was dichtgetimmerd – de hout- en kolenkachel stond tussen raam en tafel en ging rechtstreeks het platte dak in – hing een vierkante empire spiegel met een gouden lijst. Het hele interieur was tegelijk uitzonderlijk – zo duidelijk dat van een dichter, ook door de vele stapels papieren en boeken – en toch op een onnadrukkelijke manier smaakvol. Alles was mooi omdat overal over scheen te zijn nagedacht; zelfs dingen die zo oud waren dat ze stuk waren, hadden een betekenis. Niets was er willekeurig, misschien was dat het. Bovendien leek het me allemaal ook nog vol geheime schatten.

Chris had, vertelde hij, na de oorlog het huis geruild met John Raedecker. Toen deze de opdracht kreeg het Nationaal Monument op de Dam te maken, zocht hij een pied-à-terre in Amsterdam. Hij ruilde zijn zelf volgens de principes van De Stijl ontworpen atelierwoning met de verdieping die Chris aan de Herengracht had. Chris vertelde graag dat tegen de wand, waar nu de boekenkast stond, in Raedeckers tijd een Mondriaan had gehangen. Die hebben ze veel te vroeg verkocht, voegde hij daar steevast aan toe, mijmerend over wat ze er nu voor gekregen zouden hebben.
Ben ik van het eerste gedicht niet zeker dat ik het deze keer te zien kreeg, in elk geval kreeg ik die middag het gedicht ‘Wilhelmina, bij haar laatste koningschap’ te lezen en te beoordelen. Het was in zijn fijne handschrift geschreven en ik zat er langdurig op te turen, zonder het nu dadelijk allemaal te begrijpen. Het was zo anders dan de gedichten die ik van hem kende. Maar hoe meer ik durfde te vragen naar de dingen die mij niet duidelijk waren, en hoe meer hij erover vertelde met zijn achtergronden van Robert Graves’ The White Goddess, hoe enthousiaster ik over het gedicht werd. Kort daarvoor, op 8 december, was prinses Wilhelmina begraven en ik had de indrukwekkende uitvaart, geheel in het wit, niet alleen de paarden en koetsen, zelfs de wieldoppen van de witte Mercedessen waren wit, ook bij kennissen op de televisie gezien, net als hij.

Blijkbaar had ik de proeve van gedichtbespreking die middag goed doorstaan, want we maakten een nieuwe afspraak, voor enkele weken later. Die vond in Amsterdam plaats. Het was de dag na Kerstmis en juist begonnen te sneeuwen. Het weer was zo slecht dat bussen en treinen al met grote vertraging reden. Een vriendin van mij bracht ons in haar auto naar zijn huis. Vanaf die avond ben ik in Groet gebleven.
Het sneeuwen was niet meer opgehouden en het duurde niet lang of wij sneeuwden in. Het deerde ons niet erg, want de kachel brandde en binnen was het gezellig met alle spannendheid van het begin van een ander leven. Alles was nieuw.
’s Ochtends kon je de postbode over de aangeveegde of weer opnieuw besneeuwde trappen omhoog horen stampen. Het was het enige bezoek op een dag. Chris was dan meestal al op en had koffie gezet. Zijn eerste handeling na het ontwaken was in pyama en ochtendjas, sokken en schoenen aan, aan tafel gaan zitten en de regels noteren die hem vanuit droom of halfslaap waren bijgebleven. Soms stond hij daar ook ’s nachts wel voor op. Intussen bediende hij de kachel, schepte als dat nodig was kolen en rolde zijn eerste sigaretten. Hij rookte onveranderlijk Captain Grant halfzwaar, shag uit het toen nog kartonnen doosje, met Club-vloei. Beide, het doosje en de vloeitjes, dienden bij wandeling of elders als zijn papier om invallen op te schrijven. Thuis werden die regels dan op kladblokvellen genoteerd of uitgewerkt en soms gaven ze al meteen aanleiding tot een gedicht of een stuk gedicht. Mijn taak was het dan ze te bekijken en uit te tikken. Ik had voor het uittikken van scripties indertijd een kleine, roodplastic schrijfmachine gekocht, die ik nu voor zijn gedichten kon gebruiken. Het machientje beschikte slechts over een gestileerde hoofdletter, alsof er alleen telegrammen op hoefden te worden verzonden. Het was een industriëel novum en zag eruit als de eerste aanzet tot een draagbare schrijfmachine. Misschien was het gewoon ook alleen maar een kindermachine. Helaas is het later bij de brand, die in 1972 ons huis in de as legde, verloren gegaan.
Maar die eerste tijd was er nog niet zo heel veel sprake van gericht werken aan de gedichten.
Als de post kwam, kreeg ik die te lezen en de uitgaande post las ik eveneens. Bij de laatste moest ik letten op eventuele taal- en stijlfouten. Een van de eerste brieven, het was een pakket eigenlijk, die de deur uitging was er een aan Jan Hanlo. Chris had bij de firma Neef in Amsterdam twee caleidoscopen gekocht die ‘de werkelijkheid’ caleidoscopeerden’. De lens bestond uit een glaspatroon dat zich door schudden liet veranderen en als je het ergens op richtte kreeg je dat beeld in wonderlijke identieke stukken gebroken terug. De ene stuurde hij aan Jan Hanlo, de andere hield hij zelf. Het duurde niet lang of de ontvangst ervan werd door een enthousiaste brief van Hanlo bevestigd. Deze had het pakket tegen de avond gekregen en onmiddellijk terug geschreven dat hij popelde van ongeduld om de caleidoscoop bij het eerste ochtendlicht op het besneeuwde, maar zeer speciale grijs van zijn vuilnisbak te richten.
Voorts begon Chris nieuwjaarskaarten te maken en hij betrok mij voortdurend bij dat proces: wat vind je er zo van? Hij had repen uit een stuk golfkarton geknipt en van elke golf plakte hij telkens een stukje horizontaal op een correspondentiekaart. Eronder schreef hij dan een regel die een woordspeling behelsde met ‘golf’ en het nieuwe jaar. Ik was verbaasd over de simpelheid van deze werkwijze en de bizonderheid van het resultaat ervan. Zijn kaart aan Sandberg zou later in het Stedelijk Museum worden tentoongesteld bij andere bizondere kaarten uit de hele wereld. Ik had Chris’ tentoonstellng van het jaar daarvoor in het Stedelijk overigens niet gezien.

Onder het maken en verzenden vertelde en vroeg Chris honderduit. Ook besprak hij de mensen aan wie hij deze reeks kaarten verzond. Er groeide binnen een heel korte tijd een zeer grote vertrouwelijkheid tussen ons, die ook iets had van ‘samen tegen de wereld’. Dit aspect werd ontegenzeggelijk aangewakkerd door de toenemende kou van de historische winter 1962-1963, die al spoedig maakte dat bussen niet meer reden en dat onze waterleiding bevroor. Het halen van water bleek echter onverwacht een groot probleem. Er waren in het dorp Groet niet heel veel mensen met wie Chris bevriend was en van deze weinige vrienden of kennissen waren de meeste, zo bleek ons, maar vooral mij al spoedig, nog weer afgevallen omdat zij het niet eens waren ‘met zijn levenswijze’. Waarmee bedoeld werd dat zij het afkeurden dat hij binnen de korte tijd van een jaar of twee bezig was ‘aan zijn zoveelste vrouw’.
Om de een of andere reden had Chris een zeer slechte reputatie. Er werd enorm over hem geroddeld en hij stond te boek als een vrouwenversierder en zelfs als een ‘sadist’, die ‘kinderen aan bomen zou vastbinden’ en ze ‘misschien wel zou geselen’. Het was om die reden dat mijn moeder, toen ik vertelde dat ik in Groet zou gaan wonen, onmiddellijk in snikken uitbarstte, in plaats van er trots op te zijn, zoals ik misschien had gedacht of gehoopt. Ik denk dat deze roddels over hem in het burgerlijke en dorpse artiestenmilieu van zowel Bergen als Schoorl als Groet, terug te voeren waren op agressie over zijn arrogantie – ondanks zijn armoede wist hij wat hij waard was – en op jaloezie op wat hij kon en wat hij bezat. In de liefde heb ik Chris als redelijk trouw leren kennen en zijn sadisme beperkte zich tot een plezier in practical jokes en pesterijen.
Maar dit alles maakte wel dat er bijna niemand was die ons water wilde geven. Een oude dame die aan het begin van de Achterweg woonde, een zekere mevrouw Dehé, begon hem uit te schelden toen wij met onze wasteil boven op de slee bij haar aanklopten. De enigen die ons wilden helpen waren de kunstschilder Jan Budding en zijn vrouw, die op zo’n anderhalve kilometer gaans woonden. Het was een heel werk om het klotsende water over de hele Voorweg en de Achterweg en vervolgens tegen het duin op te trekken zonder er al te veel van te verliezen. Op de heenweg van deze missie, die altijd zeer laat in de avond plaatsvond om geen opschudding te wekken bij de andere bewoners van Groet (‘ongezien is meegenomen’ was een uitspraak die ik geheel op zijn Van Geels hiervoor bedacht had en die zijn grote instemming genoot), konder we bij het passeren van het klimduin aan het begin van de Voorweg nooit de verleiding weerstaan om een aantal keren samen op de slee naar beneden te suizen. Dat Chris, die zoveel ouder was dan ik toch van die jeugdige baldadigheden hield, vond ik heerlijk.
Hoe zagen de dagen er verder uit? Voor mij zijn ze samen te vatten in de regels:

Er brandde een groot open vuur
en op ieder bord lag sneeuw

Niet omdat dat zo letterlijk gebeurde, het vuur zat binnen in de kachel en de sneeuw kleefde hooguit aan je schoenen, de regels kwamen zelfs oorspronkelijk uit een veel oudere periode, maar omdat ze voor mij iets van het betoverende van die tijd aangeven. We zaagden hout voor de kachel op de zaagplek in de tuin die ik de eerste keer had gezien; elk aan een kant van de bok, elk aan een kant van de trekzaag. En Chris had een kleine, kartonnen archiefdoos tevoorschijn gehaald waarin zich, met de hand geschreven op correspondentiekaarten en van heel veel varianten voorzien, de aanleg bevond van wat de bundel ‘Uit de hoge boom geschreven’ zou worden:

O de spijt het onverklaarde
hunkerend te ontkomen.

En

Alleen om het licht, hoe het valt
hoe het vliegt, besta ik, doodvalt, opvliegt.

En zoveel meer.
Heel groot was mijn verbazing over de wijze waarop hij de regels van een gedicht toen placht te beredeneren. ‘Sneeuw is sperma en boom is penis, de grond waar de boom in staat is de vrouw, dus dat klopt.’ De redenering leek een logica te bezitten die de dichter er weliswaar zelf inlegde, maar die in zijn woorden toch een absolute overtuigingskracht bezat. Maar ik kon haar nooit herhalen of zelf verzinnen.
Ook zijn metrische beslissingen kon ik vaak niet onmiddellijk volgen. Wij hadden duidelijk een verschillend ritmegevoel. Samen dansen ging ook moeilijk, dat botste. Tenminste bij het elkaar vasthouden. Op een afstandje van elkaar lukte het wel. Bij de gedichten wende het trouwens spoedig en als ik ze nu lees komen ze me haast klassiek voor, maar bij het ontstaan ervan, als de beslissingen nog niet vastlagen, was dat anders.
De winter van 1962-1963 bracht, behalve mijn komst, nog een verandering in Chris’ leven. In februari vond immers de beruchte Elfstedentocht plaats met Reinier Paping als winnaar. Het ijs van het Friese traject was zo slecht als dat van de branding van de Noordzee die tot halverwege de horizon bevroren was. We hadden geen televisie, maar luisterden de hele dag naar de radio om de voortgang van de schaatsers onder deze extreme omstandigheden te volgen. Toen Reinier Paping na zijn overwinning gevraagd werd wat hij ’s ochtends, voor hij wegging, voor krachtvoedsel had gegeten en hij geantwoord had: enkel een bord Brintapap, gaf Chris onmiddellijk orders een pak Brinta aan te schaffen. Als die pap je zo sterk maakte dat je de Elfstedentocht er onder die omstandigheden mee kon winnen, dan wilde hij die ook alle dagen eten. En zo geschiedde.

Toen Jan Hanlo later enige tijd bij ons in het tuinhuis kwam wonen – omdat hij door Justitie tijdelijk uit Limburg was verbannen – en de beide dichters hun ontbijtgewoontes uitwisselden, gingen ze nog flink met elkaar in debat over de voors en tegens van hun favoriete papsoorten. Hanlo nam namelijk ’s ochtends altijd een bord Bambix, dat, zoals hij tevreden vaststelde, ook voor heel kleine kinderen was en dat volgens hem niet onaanzienlijke voordelen bezat boven de zoveel ‘zwaardere’ Brinta. In het geheim probeerde Chris Bambix wel uit, maar hij bleef de Brinta-pap toch trouw.
Het enige televisieprogramma dat wij altijd heel graag wilden zien was ‘Literaire Ontmoetingen’ van Hans Gomperts en Hans Keller. Hierbij deed zich hetzelfde probleem voor als bij het water halen, behalve dat er nog veel minder mensen waren die een televisie hadden dan een kraan. Café Meereboer, op de Kerkbrink/hoek Heereweg bezat er een, maar Chris had er een enorme hekel aan om daar heen te gaan. En eigenlijk wilde hij ook niet dat ik er kwam. Toen datzelfde voorjaar van 1963 Aad Nuis, net terug van zijn dienstperiode in Nieuw- Guinea, enige tijd in ons tuinhuis kwam wonen, zijn wij, zoals we gewoon waren als studenten te doen, wel eens naar de kroeg van Meereboer gegaan om er iets te drinken. Chris ging natuurlijk niet mee, maar bij terugkomst thuis bezorgde hij ons wel het gevoel dat we iets heel verkeerds gedaan hadden, zodat er zelfs een licht gevoel van schaamte in ons opkwam.
Toch hebben wij, Chris en ik, daar wel eens een enkele keer naar ‘Literaire Ontmoetingen’ gekeken, hoewel we ons opgelaten voelden omdat het toestel in de gelagkamer stond en niemand van de biljarters en de overige cafégangers er natuurlijk enige boodschap aan had.
Eenzelfde gevoel van ongemak had ik toen we een eens in arren moede voor dit programma terecht kwamen bij de loodgieter, die de waterleidingbuizen tenslotte had ontdooid. Het waren heel vriendelijke mensen, hij en zijn vrouw, die nog koffie en thee voor ons zetten, maar bij wie je ook voortdurend voelde dat ze liever een ander programma zagen – dat er toen gelukkig niet was. Dat er geen televisie was maakte de avonden eigenlijk veel gezelliger. We luisterden naar een concert op de radio, naar een hoorspel of naar cabaretier Henk Elsink. En onderwijl speelden we canasta of halma, in welke spelen we beiden een grote vaardigheid bezaten. Bovendien wilden we allebei erg graag winnen.
Een doodenkele keer kwamen de ‘buren’ mee kaarten, dat waren de Buddingen of Jan-Erik Romein en zijn vrouw. Maar meestal lazen we de krant of een boek of hield Chris een betoog over een wereldomvattend onderwerp dat nooit tot een einde kwam. Hij las ook graag voor. Beroemd was zijn vermogen om als de tekst – een krantenartikel bijvoorbeeld – allang afgelopen was, rustig door te lezen, er gaandeweg steeds krankzinniger dingen bij verzinnend. Tot het op een gegeven ogenblik zo gek geworden was, dat je begreep dat je erin gevlogen was. Maar hoe lang al, kon alleen met de krant of de tekst erbij nagegaan worden. Deze dingen deden hem een geweldig plezier en hij kon dan in een zeer aanstekelijk, maar absoluut sardonisch gelach uitbarsten. Na afloop van de avondlijke bezigheden werd er altijd, al was het diep in de nacht, nog gewandeld. Om nog weer nieuwe brieven te posten, om eens rond te kijken wat er bij dag allemaal in Groet veranderd was, om in de polder of de duinen te zijn, en later om de hond uit te laten. Tijdens deze wandelingen ontstonden dan weer veel regels, dan wel hele gedichten.
Ook later zagen de dagen er eigenlijk altijd zo uit. Er kwam haast nooit iemand op bezoek, zeker in de winter niet, en dat deerde ons niet. Het was een geïsoleerd en intiem bestaan, dat gericht was op het maken van poëzie. Daarbij had hij altijd het gevoel dat hij zich moest haasten. ‘Het graf gaapt’ was een uitdrukking die minstens wel één keer per dag gebezigd werd.
’s Zomers werd het isolement doorbroken doordat het zomerhuis werd verhuurd, meest aan vrienden of kennissen, of doordat vrienden zomaar eens op bezoek kwamen. Gebeurtenissen waar hij altijd gemengde gevoelens over had. Aan de ene kant vond hij het leuk, aan de andere kant bracht bezoek hem in de war en vond hij dat het hem van zijn werk afhield. En zo was de zomer hem in vele opzichten een doorn in het oog. ‘Het groene kwaad verschijnt’, heette het, als in het voorjaar de bomen uit dreigden te lopen. En zonneschijn leidde in zijn optiek alleen maar tot ledigheid en lawaai. Het gebeurde wel dat kinderen van de camping, die zich achter een haag tegenover ons aan de Achterweg bevond – op het erf van boer Stoop –, het duin opklommen om dan van boven ons huis naar beneden te schreeuwen, naar de camping: ‘Opa! Opa!’ Geërgerd kwam hij dan naar buiten om, beschermd door sluipeiken, wingerd en struikgewas, naar boven te schreeuwen: ‘Je opa is dood!’ Om dan even tevreden als sardonisch te lachen als het geschreeuw abrupt ophield.
Zo vergleden de jaren. Toen wij in 1966 of 1967 ook zelf televisie kregen veranderde er eigenlijk niet eens zo veel. Alleen keken wij van toen af aan elke avond naar deze nieuwigheid. Chris vanaf Swiebertje tot en met de Dagsluiting, dat wil zeggen alles wat er werd uitgezonden. Daar zat hij dan, netjes gewassen, aangekleed en met verzorgde handen en nagels, aan de ronde tafel te kijken naar wat hij ‘de patrijspoort van de duivel’*) noemde, papier en pen voor aantekeningen in de buurt. Maar het duurde niet lang of hij begon, omdat hij het toch zonde van zijn tijd vond om alleen maar de hele avond te kijken, onderwijl te tekenen met pen en correspondentiekaart op schoot of op een hoek van de tafel. Een doos met tientallen viltstiften in alle kleuren en een doos met kleurpotloden waren spoedig aangeschaft en zo ontstonden de ‘interieurtjes’ –, het telkens herhaalde motief van een tafel, twee stoelen en een lampekap erboven, in eindeloze variëteit.
Maar de dagindeling was altijd dezelfde: opstaan en aan het werk, en pas tegen het avondeten, als hij er al een dagtaak van brieven schrijven en poëzie op had zitten, dan, bijvoorbeeld net voor het sluiten van de post, waste of douchte hij zich en kleedde hij zich aan. Bij dit hele ritueel liep hij onbekommerd door het huis – hij was verademend onpreuts – en zong of declameerde hij opgewekt. De voordracht behelsde rijmpjes in de trant van: ‘Goedemorgen, juffrouw Beuker, hier is de nieuwe kippeneuker!’ of: ‘De kwestie is deze, geen kinderen en toch te kezen.’ Waarna hij weer in dat aanstekelijke gelach kom uitbarsten. De liedjes die hij zong konden onverwacht afkomstig blijken te zijn uit een musical uit de jaren twintig, waarvan bijvoorbeeld de volgende frase hem was bijgebleven: ‘Mooie zus, mooie zus, van de autobus, kind wat ruik je toch weer lekker naar benziéééne…’ daarbij voerde hij soms dansen uit met de handdoek die konden variëren van woest krijgsgedans tot een sierlijke pirouette.
Een doodenkele keer kwam het voor dat er, tot enorme schrik van ons beiden – wij dachten altijd dat het wel een deurwaarder of zo iemand zou zijn -, op zo’n moment aangebeld werd en dan deed hij, alleen met een handdoek om, open om het altijd ongewenste bezoek af te schrikken. Als hij aangekleed was, was hij in principe ook gereed om, met de wandelstok met de ivoren knop van grootvader Van Geel, als elegant wapen in de hand, naar buiten te gaan.
Maar het meest vonden de wandelingen toch laat in de nacht en zelfs tegen de ochtend plaats.

ASYL

Ik zoek een toevlucht in de poes die met
de hond meerent op straat, in alles wat
geen stem heeft en op zachte voeten gaat,
in bomen en in eenden, in wat slaapt.

Behalve in verzen als deze, die nog niet voor een bundel geselecteerd waren, is veel van het dagelijkse leven, zoals ik het hier heb trachten te beschrijven, bewaard gebleven in zijn bijdragen aan het tijdschrift Barbarber. Ik geef daar tot slot een enkel voorbeeld van.

PAP ETEN

Leg het tijdschrift in zijn geheel op de grond
Dan kun je het direct weer in zijn geheel op tafel leggen.

VERZOEK

‘Wilt u de post, kranten enz. in de prullenmand doen.
Er broedt een vogeltje in de bus. Dank u.’

STOFZUIGER

Als we de stofzuiger lenen van de buren gaat ons huis ruiken naar hun hond.

ELLY DE WAARD, 1993

*) De toemalige televisies hadden, met hun diepliggende ronde beeld, meer weg van patrijspoorten, dan de huidige flatscreens.

V.l.n.r.: Noortje Bons-Dekker, Jan Bons, Chris, Elly en zittend rechts nichtje Annet

De foto hierboven is van eind jaren zestig en is genomen door Joël Bons. De gitaar is van hem. De hond is onze Dalmatiër, Geisha.

De eerste foto is door Sanne Sannes gemaakt en is van 1963.

De tweede is uit het midden van de jaren 1960

Reacties zijn gesloten.