O HAVELOOS
gevleugelden – wij – in ons nest
in de zo hoge
lucht. Waar de wind ons langs
de slapen strijkt
en som in de haren rust. Waar
vogels die uit volle vlucht
zijn neergestreken
onder een hemel
die van veren is doorstoven spreken
in een schittering
van vuur en regenbogen
en waar zich onder ons
een afgrond uitstrekt
van het diepste azuur.
Waar, vraag ik je, vriendin
viendslieveling
zal ik de kus, die aanraking
van het zingen van mijn mond
dan plaatsen –
op je lippen
of straks voor je voeten op de
verre aarde, de
naar af te dalen grond?
Uit De hemel van Toulouse