FLYING HOME

Het cabinelicht gaat op en neer,
pulseert, wordt polsslag van de machine,
de vleugel glanst als leer.
Hagel geselt de romp, in het gang-
pad loopt men als tegen een helling
op. Gebak begint te zweten. De
zwaarte van het vliegen drukt op
elke vierkante millimeter van
de trommelvliezen. Uit speakers
klinkt gefluister of de ether

lippen had: liefste in wier armen ik
het liefste lag, liefste wier dijen
glad als duiveveren in de kleur van
isabel mijn lichaam in zijn vlucht
naar huis begeleiden…
Een stad
ligt ingekrast in het donker
glanzende aardoppervlak, waaronder
het goud ging leven. Verfijnd, abstrakt
juweel, gesponnen in een filigrain
van uiterst dunne, gouden wegen.

Uit: Een wildernis van verbindingen, gedicht 31

Geplaatst in Een Wildernis van Verbindingen | 2 Reacties

WINTER IS HET, KERSTMIS SPOEDIG

Winter is het, Kerstmis spoedig,
Onder het poetsen wordt geoefend
In het zingen door mijn moeder.
Donker is het dagelijks vroeger,
Koper blinkt, de kachel brandt.

In de koude hak ik hout.
Sterren schieten uit de schoorsteen,
Regenen wensen naar beneden
Waar standvastig en aanbeden
Venus op de dakpunt staat.

Binnen ruikt het naar gebak
Dat de oven heeft verlaten
En naar vlees dat wordt gebraden.
Voeten rennen door de kamers,
Stemmen wisselen kreten uit.

Onbeschaamd als blauwe luchten
Waar een sneeuwbui zich in uitschudt,
Vliegensvlug in achterhalen
Van wie vluchtend en toch dralend
Zo mijn kussen niet ontloopt –

Fantoom van licht, waar heb je je
Verstopt? Lig je, slaap je, heb
Je je sterren van ogen dicht?
Ruwe nimf ben je, vlinderlicht
Je lieftallige hielen gelicht.

Verlegenheid heeft appelrode wangen,
Je kunt ze proeven, kunt ze vangen,
Kunt ze tussen het sparrengroen hangen,
Blozende als zonsondergangen
Zijn ze, gave, glanzende vrucht.

Winter is het, Kerstmis nadert,
Het huis in rust is en het ademt
Uit zijn schoorsteen witte rook.
De hemel is bestrooid met sterren,
Een pruik van sneeuw ligt op de dennen,
Men is er thuis, er wordt gestookt.

Uit: Strofen

Geplaatst in Strofen | 2 Reacties

LUIK


Luik in de schemering, ik hou
van Luik: het is asgrauw

glashelder toch, met hier en daar
reeksen van ramen oplaaiend

in een roodkoperen gloed –
van kolen gestookt schouwspel

tussen repen kartelig, beroet
beton. De Maas een stroom

van lood; haar water, ooit toch
uit een sprankeling van

bergbeken ontstaan, vervoert
hier enkel nog zijn dood.

Ik volg de vloed
van het verkeer terug, ik voel wel

dat dit moet, dat ik word
meegedragen, stapvoets in tegen

de waterstoet. Op de verlaten
kade staat een wagen

in een plas van ingeslagen ramen-
glas, als in de glinstering van

zijn bloed

uit:Anderling

Geplaatst in Anderling | 4 Reacties

KLIMAATSVERANDERING


Warm was de herfst en droog, mediterraan
en dat na zo’n moessonzware zomer.

Eergisteravond, na drie keer een volle maan
ononderbroken continentaal, was de wind

opeens gedraaid in zijn normale richting:
de adem van de zee stoof over het land en

ik snoof het zout dat ik gemist had en de geur
van vuur in hout. Eindelijk tijd voor westerstormen

brekende takken, krakende bomen, dwarrelsneeuw
van blad. Het regent nu, wolken

van neerslaand water worden door het bos
geslagen. Ook op de binnenvaart is er

herademing. Rivieren kunnen weer stijgen
boten varen, ladingen verder gedragen.

ongepubliceerd

Geplaatst in Ongepubliceerd | 2 Reacties

WOORD EN DOODSLAG

Hoe kan ik een stof, die ik niet
heb aan kunnen raken beschrijven?
Hoe moet ik een moord, die nog zo
kort geleden gepleegd werd, in zijn

verste strekking begrijpen? De stof
van het hemd ligt nog gescheurd om
het lichaam en legt een tere, haast
onzichtbare tepel bloot. – Ik kijk

weg en ik loop van kamer
naar kamer, in de echo’s van onophoudelijk
van mening verslag doende
stemmen van namen, alsof nergens

nog doodse stilte bestond.
Een afval van woorden bedekt moord
en vermoorde, lettergrepen, spaanders
aan de bijl van één grote mond –

uit: Proeven van moord
Onderaan: Anselm Kiefer, Man under a pyramid

Geplaatst in Proeven van Moord | 1 reactie