OP HET VOGELWATER

Als een ruiter te paard op het hoogste dak
zie ik bliksems kaatsen in het water
op het platte dak, de goten kraken,
slokken en gutsen, klokken, gulpen
en verslikken zich in water, water.

Hagels hardste korrels liggen tussen afgeranselde
bloemen, het gras is een smeltend stromen
van ijs en water dat zich met geweld
een loop baant naar onder de bomen.
Alle ramen zijn beslagen en o de verrukking

van de verfrissing om met schone kleren
en droge voeten aan tafel te zitten
terwijl de goten – het water druppelt als honing
door hun kelen – allengs gaan zingen
en het langzaam stiller wordt.

Een damp wordt op het veld geboren,
de aarde ligt er nat en glooiend
onder en voldaan, het is witte nacht.
Een vliegtuig zakt behoedzaam,
met iets zoekends, iets ontroerends,

uit de wolken naar de haven
waar zijn lading, peinzend aan het raam,
de laatste koffie gedronken –
‘Houdt op te roken, gordt uw riemen aan’ –
zo zacht en stil als veren kan gelost.

Onhandig als een hommel vliegt het,
onder de stijve vleugels zijn de lichten aan.
Verweg spant de bliksem zijn grillige draden,
elk toeval tot zijn bestemming verklarend.
Zijn snelle verbindingen flitsen nog na.

 

Elly de Waard, uit de bundel STROFEN
Dit gedicht is opgedragen aan Noud Essen, in dank voor tien jaar goten repareren

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

5 Reacties op OP HET VOGELWATER

Toon Reacties (5)

Geef een antwoord