Jesse Winchester (en ROBBIE ROBERTSON)

Jesse Winchester is een uit Memphis, Tennessee afkomstige zanger en gitarist die, zoals zoveel Amerikanen van zijn leeftijd, op de vlucht sloeg voor de militaire dienst en Vietnam. Hij kwam terecht in Montreal, waar hij sinds 1967 in ballingschap woont, in afwachting van het verkrijgen van de Canadese nationaliteit.

Zijn plaat bevat tien door hemzelf geschreven songs, waarvan één die hij samen met Robbie Robertson, gitarist van The Band schreef. Robertson was ook de producer van het album en dat is goed te horen. De muziek op de plaat heeft dezelfde spaarzame en heldere functionaliteit als die van The Band. Daarbij komt nog dat Robertson zelf er elektrische gitaar op speelt en dat Levon Helm van The Band als drummer en mandolinespeler te horen is.
Verder gebruikte instrumenten: piano, basgitaar, orgel, vibrafoon en countryviool. Of Robbie Robertson ook voor deze instrumentatie heeft gezorgd is niet duidelijk, maar het ligt wel voor de hand. Het orgel vervangt, waar het ingezet wordt, wat anders misschien orkestraties zouden zijn geworden; de vibrafoon voorziet in een zwevend en tegelijk obsederend geluid, bijvoorbeeld bij de spookachtige tekst van ‘Black Dog’.
Ronduit een vondst is de elektrische staande bas, die behalve met de hand, ook met de strijkstok bespeeld wordt – voor zo ver ik weet is dit de eerste keer dat dit gewoonlijk akoestische instrument (dat met de uitvinding van de basgitaar in de jaren vijftig op slag verouderd was) elektrisch gebruikt wordt.
Winchesters songs hebben weinig te maken met het doorsnee commerciële hitwerk – toch zijn ze stevig geworteld in de traditie van de countrymuziek en de rock and roll. Zijn gedreven zang en uitstekende melodieën en teksten zijn niet los van elkaar te zien. Ze komen duidelijk van één persoon, evenals zijn gitaar- en pianobijdragen, en daarmee schiep hij zich met behulp van Robertson de maximaal gunstige omstandigheden voor een muzikale topprestatie.

Zijn songs variëren van het aardse en springerige ‘Payday’: ‘Let’s go out on the town tonight / My pockets are heavy with loot / And get drunk and nasty / And loud and agressive to boot’, tot en met de meer monumentale songs ‘Black Dog’, ‘Skip Rope Song’ en ‘Quiet About It’: ‘He’s walking with us / And He speaks through every man / But I have this notion, / Call it my fear / That I will die alone / And even He won’t be there’.

Winchesters werk is een combinatie van bijna Bijbelse opvattingen, aardse geilheid (op zijn fraaist uitgedrukt in ‘That’s a Touch I Like’) en briljante huiselijkheid (gezang over de geneugten van een stevig ontbijt met een goede kop koffie) en dat alles gelardeerd met een flinke dosis nostalgie.
Een nummer als ‘Rosie Shy’, waarin zang, piano, elektrische gitaar en met de hand bespeelde drums elkaar als het ware achtervolgen, is mijns inziens net zo klassiek als de liedkunst die hier uit de zeventiende eeuw bekend is.
In ‘The Brand New Tennessee Waltz’ wordt heel mooi het heimwee naar het onbereikbare land van herkomst uitgedrukt en daarbij wordt in de begeleiding de countryviool effectief ingezet:

Because love is mainly just memories
And everyone’s got them a few
(…)
So let all your passionate violins
Play a tune for a Tennessee kid
Who’s feeling like leaving another town
But no place to go if he did
‘Cause they catch you wherever you’d hid

Het samen met Robertson geschreven lied ‘Snow’ is weer een heel ander werkje: ‘I was tuning in the six o’clock newscast / And the weather man mentioned snow / As soon as I heard that four-letter word / I was making my plans to go.’
Weg van de ellende van de overstelpende Canadese sneeuw, koude oren en voeten en daarbij geen stevige schoenen, geen lekkere bontmuts, geen lang warm ondergoed of zelfs maar ‘een beschermend laagje vet’ op het lichaam.

Het mooiste nummer van de plaat is misschien wel het nostalgische ‘Yankee Lady’, dat aldus begint:

I lived with the decent folks
In the hills of old Vermont
Where what you do all day
Depends on what you want
And I took up with a woman there
Though I was still a kid
And I smile like the sun
To think of all the loving that we did.

She rose each morning and went off to work
And she kept me with her pay
I was making sweet love all night
And playing guitar all day
And I got apple cider and homemade bread
To make a man say grace
And clean linens on my bed
And a warm feet fire place.

Jesse Winchester  werd in 1943 geboren in Shreveport, Louisiana en woonde vanaf zijn twaalfde in het eerder genoemde Memphis. Hij studeerde Frans en Duits aan het Williams College in Massachusetts en twee jaar filosofie aan de universiteit van München. Terug in Amerika haalde hij een graad in Duits omdat ‘studeren een manier was om uit het leger te blijven’.
Zowel in de VS als Duitsland en Canada speelde hij in diverse bands en groepen. In Canada reisde hij om aan geld te komen respectievelijk met een in het Frans zingende groep (Les Astronautes) en een Canadese rhythm and blues-groep (John Coldwater Group) eindeloos langs kleine provinciesteden, ‘waar je niemand kent, alle films in het Frans of het Duits zijn en waar niets anders te doen is dan brieven schrijven, in een bar gaan zitten en tv-kijken: naar ijshockeywedstrijden.’ Later ging hij alleen als zanger met gitaar optreden.

Het isolement van de Amerikaanse dienstontduiker in Montreal werd nog vergroot door de Frans georiënteerde cultuur van die stad. Toch blijft hij er maar wonen omdat hij vindt dat hij  ‘geen keus’ heeft en omdat ‘ze me er accepteren’. Via een vriend die Robbie Robertson kende – Robertsons vrouw is afkomstig uit Montreal en ze komen er beiden vrij geregeld op bezoek – kwam tenslotte eind 1969 deze plaat tot stand.
Inmiddels heeft Winchester alweer een nieuwe LP gemaakt, nu geproduceerd door Todd Rundgren (van de groep Nazz), die ook technicus was bij het eerste album. Wanneer deze plaat uitkomt is niet bekend, maar het kan niet lang meer duren. Intussen wordt het wel tijd dat een van de Nederlandse platenmaatschappijen de vertegenwoordiging van het kleine Ampexlabel, waarop Winchester verschijnt, op zich gaat nemen, zodat dit werk hier beter verkrijgbaar wordt. Briljante en relaxte muziek met teksten die de schoonheid van de eenvoud bezitten en die door de maker zelf wordt omschreven als ‘vooral geschikt voor feesten en partijen’.

Elly de Waard, uit Vrij Nederland, 8 mei 1971, verzameld met het grootste deel van mijn overige rock-kritieken in: Het Jasje van David Bowie, Uitgeverij De Harmonie, 2015

 

Reacties zijn gesloten.