Bowie, World Tour 78, Ahoy Rotterdam

Aan de rechterzijde van het podium staat de chic van de straat. Het is een aparte, hier en daar van groezelige verbanden voorziene coterie, die hangt, zit of staat en die maar één doel heeft: achter het podium te komen, waar David Bowie nu een rustpauze houdt nadat hij een uur heeft opgetreden en terwijl hij nog een uur heeft te gaan. Het is een wonderlijk gezelschap. Jongens die hun uiterlijk van punk net die toets – make-up bijvoorbeeld  – hebben gegeven, dat ze voor Bowie-fan kunnen doorgaan. Een meisje dat haar gezicht precies zo heeft beschilderd als dat van Bowie op Aladin Sane: bliksemschichten in kleuren van de regenboog schieten over haar wangen. Anderen hebben gewoon een satijnen Adidasbroek als hot pants aangetrokken om zich te onderscheiden. Vlakbij, op de eerste galerij heeft iemand zijn gezicht met zwart en wit als clown beschilderd. De make-up is over het algemeen jaren dertig: knalrode kersenmondjes.
Wie niet direct in zijn kleren en haardracht uitdrukking geeft aan tenminste één van de stadia die Bowies uiterlijk in de loop der jaren doorgemaakt heeft, doet dat in elk geval door het dragen van Bowie-badges: vierkante, ronde, gekleurde, zwart-witte, letterbadges, badges met Ziggy, met Aladdin Sane, met de Bowie van Young Americans, van Station tot Station, van Heroes, van wereldtour 1978. Er zijn vast van niemand in de rock and roll zo veel badges in omloop als van Bowie.

David Bowie is dan ook de enig overgebleven persoon in de rock die een grote kwaliteit paart aan een enorme populariteit. Hij is het enige echte rockidool van nu. Populariteit is trouwens zwak uitgedrukt, er is, als men de gezichten bekijkt tijdens zijn aanwezigheid op het podium, eerder sprake van pure devotie.
Er wordt niemand toegelaten achter het podium. Bowie brengt zijn rustpauze uitsluitend door  in het gezelschap van zijn secretaresse en zijn bodyguard, de twee personen die hem onafscheidelijk vergezellen en met wie hij ook de dagen dat hij in Nederland vertoeft in het Amstel Hotel doorbrengt. Toch maakt hij geen ontoegankelijke indruk. Er is een groot verschil tussen de gedistingeerde rust die er om zijn tournee hangt en de bijna hysterische afzondering die Bob Dylan contractueel al maanden van tevoren geclaimd heeft voor zijn Europese concerten volgende week.

Driemaal de Rotterdamse Ahoyhal uitverkopen komt neer op een kleine vierentwintig duizend mensen. Er zijn er, zoals een jonge moeder met een klein, in Bowie-sjerpen gehuld dochtertje uit Leiden, die alle drie de avonden gaan.
Bowie is al twee maanden op tournee. Hij begon in de Verenigde Staten, stak enkele weken geleden over naar Europa en eindigt volgende maand, na een reeks concerten aldaar, in Engeland. Van de tournee verschijnt in juli een dubbelalbum dat de titel Stage draagt, een plaat om naar uit te zien. Bowie bracht eerder een Live-LP uit in 1974, het minst gave product dat hij op zijn naam heeft staan. Maar weinig songs daarvan staan nu nog op zijn repertoire. Het zijn ‘Rebel Rebel’, ‘Suffragette City’ en ‘Jean Genie’, maar de benadering daarvan is nu totaal anders.
Bowies huidige band is briljant, maar op een ingehouden manier, als marionetten aan zeer strakke draden. Bowies eigen emotie is bedwongen, de balans tussen zijn regie en zijn zeer losse souplesse van uitvoering is perfect. Tot die regie behoort bijvoorbeeld het zelf ontworpen decor, dat bestaat uit een kooi van tweeëndertig verticale neonbuizen als achterwand en een aantal horizontale als dak. Zij gloeien op bepaalde cruciale momenten aan om Bowie en zijn band in een cel van licht te plaatsen. Ook alle andere spots zijn weer wit, op een enkele gekleurde na die voor een schaduweffect zorgt. In de vier bovenhoeken van de kooi zitten mensen die de gigantische volgspots bedienen. Ongekende soberheid en smaak zijn ook visueel de kenmerken van Bowies huidige aanpak. En doordachtheid. Wat een goed idee bijvoorbeeld om tijdens de telkens herhaalde laatste regel van ‘Breaking Glass’, I’ll never touch you, het publiek aan te zetten massaal mee te doen aan het korte klappen op het ritme om zodoende deze regel te ontkrachten! Dat deze handeling bewust in de regie was opgenomen bleek de tweede avond van het optreden, toen het precies zo toeging. Contact met de zaal! Het wonder van Bowie is dat hij een sporthal met achtduizend mensen even moeiteloos bespeelt als wanneer hij in Carré had gestaan.

De opbouw van het programma is ijzersterk. De tweede avond valt dat nog meer in detail op. Ook hoe goed de band is en hoe er hier en daar toch kleine ruimtes zijn gelaten voor improvisaties. En dat de leidende, dirigerende rol gespeeld wordt door slaggitarist Carlos Alomar. Tijdens ‘Jean Genie’ speelt Simon House een zeer fraaie, door pedaal vervormde vioolsolo, terwijl Bowie zijn eerste sigaret opsteekt. Bij de regel Let yourself go (!), gloeit voor het eerst de kooi aan, wat het publiek kreten van bewondering ontlokt.
Het eerste geheel instrumentale stuk (Bowie is begonnen met de elektronische klaagzang ‘Warszawa’) is ‘Sense Of Doubt’ van de laatste LP. Het heeft zulke interessante veranderingen ondergaan dat ik wel hoop dat het op het concertalbum zal worden opgenomen.
Lopen ‘Sense Of Doubt’, ‘Moss Garden’ en ‘Neuköln’ op de plaat als een soort minimusical in elkaar over, voor de concerten zette Bowie ‘Sense Of Doubt’ apart. Hij bespeelt zelf het ouderwetse orgel, dat een zwevend geluid voortbrengt. Monumentale, maar schaarse piano-akkoorden geven enige structuur aan het nauwelijks door vorm ingeperkte geheel, terwijl de synthesizer vage stoorgeluiden en door de Ahoy waaiende stormwinden uitzendt. De viool laat af en toe heel voorzichtig maar onmiskenbaar een immense deur krakend opengaan. Het orgel vertegenwoordigt in dit geheel een conventionaliteit die letterlijk steeds meer afgebroken wordt.
Meteen aansluitend komt het eveneens instrumentaal-elektronische, maar zeer opgewekte ‘Speed Of Life’, dat weer de inleiding is tot ‘Breaking Glass’. Het deel voor de pauze bereikt zijn hoogtepunt met de songs ‘Fame’ en het springerige ‘Beauty and the Beast’.
Bowie schreef ‘Fame’ samen met John Lennon, en wat een voortreffelijk werkstuk is het altijd weer. Uit de onderbouw van ijzersterke, strakke, ritmisch invallende muziek, springt het ene veelzeggende woord na het andere naar voren: ‘Fame – what you get is no tomorrow’, ‘puts you there where things are hollow’, (de tóón waarop het laatste woord al zingend wordt uitgesproken!), ‘in – sane’. Bowie danst als een elegante marionet voor hij tot de indrukwekkende laatste regel komt, het door echo’s in de zaal naklinkende What’s your name? What’s your name?’

Na de pauze komt hij op beide avonden terug in het smetteloos witte, op Japanse klassieke kleding geïnspireerde pak. Een zeer wijde witte broek, kraagloos knoopshirt wit, smaakvol lakriempje en fraaie blauwsatijnen schoenen. Tijdens de eerste songs draagt hij hierover een soort plastic golf-jack. Dit is andere chic, niet meer die van de straat.
De Ziggy Stardust-selectie bestaat uit zes songs. Bowie heeft lange tijd weinig meer aan dit album gedaan, maar bewijst nu met deze bewuste selectie dat hij heel goed weet dat dit zijn belangrijkste vroege LP is. ‘Rock And Roll Suicide’ (het staat wel op de David Live-LP uit 1974) komt in die keuze niet voor. Bowies benadering is nu anti-depressief. In een Engels verslag (Melody Maker) van deze tournee werd geschreven dat Bowie de Ziggy-selectie tegen zijn zin had toegevoegd omdat het publiek zijn nieuwere werk niet wil en dat zijn benadering ervan op het sarcastische af is. Het tegendeel is waar. Bowies benadering van de Ziggy-songs is inderdaad totaal anders, maar dat komt doordat de hysterie van indertijd, die overigens op de plaat voortreffelijk werkt, daar gaat niets vanaf, er nu aan ontbreekt. Hij zingt de songs nu mooi, goed gearticuleerd, toegewijd, intiem, met aandacht voor de tekst en met waardering, nee, met liefde voor het hele werk. Zijn keuze van songs is veelzeggend. Dat ze in volgorde van het album uitgevoerd worden zegt iets over de eenheid die deze plaat is.
‘Five Years’, met zijn prachtige, Lodeizen-achtige tekst, krijgt een haast gedragen uitvoering. De band, inclusief de fraaie vioolpartij, zwelt naar het einde toe haast orkestraal aan, maar de laatste regel, ‘Five years – that’s all we’ve got’, houdt geen aankondiging van het naderende einde in, maar doet eerder mededeling van het feit dat die vijf jaar sinds 1972 verstreken zijn zonder dat het eind er gekomen is.
‘Soul Love’: prachtig gezongen, superieur voorgedragen. ‘Star’, ‘Hang On To Yourself’: idem. ‘Ziggy Stardust’ krijgt een epische vertolking, zoals ook de bedoeling is van de tekst. Bowie is toeschouwer, hij is niet meer Ziggy zelf. Hij steekt opnieuw een sigaret op, doet gesteund door de band recht aan de stijgende opwinding van het nummer, valt even fel uit de toon bij de regel ‘and should we crush his sweet hands?’, begint tijdens dit lied te zweten, maar eindigt beheerst, haast deftig zijn relaas: ‘When the kids had killed the man, I had to break up the band.’
‘Suffragette City’, met zijn geestige tekst van ‘terug naar de heterosexualiteit’, beëindigt buitengewoon opgewekt de Ziggy-selectie. Bowie zingt het met een koket Cockney-accent, dat de tekst lichtelijk op afstand plaatst.

De eerste avond is het publiek even beheerst gespannen als vanaf het podium wordt aangegeven. De tweede avond breken echter tijdens dit nummer gevechten uit tussen de beveiliging van het podium en mensen uit het publiek die, geconditioneerd door de verslagen van de voorgaande avond in de dagbladen, nu al naar voren beginnen te rennen.
Het instrumentaal-elektronische ‘Art Decade’ vormt de imposante overgang tussen het oudere en het nieuwere werk. Het ontleent zijn grootse indruk aan de monumentale traagheid waarmee het wordt uitgevoerd. En aan de immense zwaaispots die even traag over de verste uithoeken met publiek cirkelen. De uitgelichte groepen zwaaien en Bowie, die zijn publiek vanaf het podium nu kan peilen, zwaait terug. Maar eerst is er nog de ‘Alabama’-song van Brecht en Weil. Een niet eens zo verrassende keuze bij nader inzien, vanwege Bowies Berlijnse voorkeuren. Hij zingt het met Lotte Lenya-drama en wat is het leuk dat iedereen dit lied toch schijnt te kennen. Het zou een goed idee zijn het als single uit te brengen.
Nu breekt gedurende het tweede concert tijdens dit nummer de paniek los. De mensen storten zich in een griezelige vloedgolf naar voren, waarbij menigeen over de grond rolt en half onder de voet gelopen wordt en de ongelukkigen die vooraan aan het middenpad zitten (zoals ik zelf) plotseling als opstap moeten dienen voor twee of drie man en de druk van heel wat meer.
Bowie torent smetteloos uit boven de vechtende en kronkelende massa. Hij glimlacht afstandelijker dan de eerste avond, toen zijn eigen beheersing op dezelfde harmonieuze wijze werd beantwoord door het naar hem oprukkende publiek. Hij waagt zich niet te dicht bij de rand van het podium en van achter de luidsprekers kijken zijn body-guards, gereed voor de sprong, toe. Overstemd door spreekkoren die zijn naam scanderen zet de band de lange instrumentale introductie in, waarin zich steeds duidelijker het thema van ‘Station To Station’ aftekent. ‘It’s too late – to be hateful’ is de regel die telkens weer naar voren springt uit dit magistrale geheel.

De tweede avond laat Bowie even op zich wachten voor de toegiften en hij komt, weer uitgerust met dezelfde witte zeilpet als de dag ervoor, pas ná de band op. ‘Stay’, ‘TVC15’ en ‘Rebel Rebel’ zijn de toegiften. Tijdens beide concerten kan men mensen elkaar spontaan zien omhelzen in de gangpaden. En het publiek dat de sporthal verlaat is een gelukkig publiek. Buiten de Ahoyhal en tot ver op de betonnen loopbruggen naar en over het Zuidplein staan de neonstaven dan allang rechtop te branden, als het vanzelfsprekende stadsdecor van alledag.

17 juni 1978

 

Reacties zijn gesloten.