BERICHT VAN WAAR WE STAAN

 

Kaal dorp, dat aan de snelweg
ligt geregen als een kraal –
Een pomp, een uithangbord, een paal
met namen van meer dorpen en
allemaal een kerk die als een
stenen ruiter in het midden
van de bijene huizen staat.
De weg loopt als een lint onder
mijn denken door. Dorstig naar inkt
slaat het zich in beton. De wind

hamert het water van de vaart en
schept het met handenvol spattend
over straat. Het rennen is ons
stapvoetse geworden, het uit-
zonderlijke uitgangspunt in
plaats van doel. Elk bewijs uit het
ongerijmde is overtuigender
dan de duurste eden die
moeten leiden tot zekerheid
omtrent ons menselijk gevoel.

 

Beeld: Edward Hopper, Gas Station
Gedicht: Elly de Waard, Een Wildernis van Verbindingen

Geplaatst in Algemeen | 3 Reacties

AMAZONES

In puntige minaretten
/  draagt de kastanje knop,
Op haar verheven zolders
/  ligt opgerold het blad
En in de nerf daarvan liet wie
/  het maakte, de afdruk
Achter van haar vingertop, god
/  is ook naar het evenbeeld
Van vrouw geschapen.

Een hemel zachtblauw als een
/ zijden hemd, met daarin
Een motief van dunne wolken
/  wappert boven de bomen
En de daken; o vergezicht
/ dat in dit blinken ligt
Men roept het heilig uur
/ van wapenstilstand maar
Zij zullen waken.

De lucht verdoft, het regent
/ pijpenstelen of een leger
Engelen besloot het roken
/ op te geven; het regent
Fijne pijltjes water die op
/ ze worden afgevuurd;
Wat achter ze ligt blijft
/ een raadsel, wat voor ze
Altijd een belofte.

 

Gedicht, Elly de Waard, uit Strofen

Geplaatst in Strofen | 1 reactie

IN DE LEGE KAMERS VAN HET HART / Drs Hanneke van Buuren

Foto: Daan Cartens

 

OVER DE POEZIE VAN ELLY DE WAARD

Drs.Hanneke van Buuren (1938-2015), docente Middeleeuwse en Moderne letterkunde.
Mede-oprichter en redacteur van het uit feminisme en literatuurbeschouwing geboren tijdschrift Chrysallis, tijdschrift voor literatuur en kunst. Vast medewerker van Ons Erfdeel.

1

‘Tederheid is het binnenste
 van iets doorgesnedens,
 het midden van een romp, merg van een bot
of melk van bloemenstelen.

 Gemaakt voor eenheid en daarin
 als alles dat volmaakt is, onontdekt,
 treedt zij pas voelbaar aan het licht
 als de toegang afgesneden is naar haar object,’

(‘Afstand’, blz. 35)

In de meestal kleine strofes staat geen woord teveel. Daardoor blijft de lading behouden tot en met de laatste syllabe. Het taalgebruik is bijna barok te noemen. De beelden zijn hoogst persoonlijk (vaak ontleend aan huis en duin in herfst en winter).
Maar ook worden de verzen vaak afgesloten met algemene en juist heel abstract geformuleerde conclusies. Uiterst ingehouden is de toon. Details echter worden met volle kracht gelanceerd (‘Aan de arm van je nabestaande zag ik je horloge – / de tijd gespte zich los van haar pols en bond zich / aan die waaraan hij hoorde, juist op het moment / waarop hij daar, op zijn beurt, weer van losgemaakt werd / om niet te storen bij de innigheid, een kras te worden / van het tederste gebaar’, Afstand, 24).
Hiermee is ter inleiding Elly de Waards eerste bundel, Afstand, gekarakteriseerd. Zij debuteerde ermee in 1978. Maar veel van de erin opgenomen gedichten waren al eerder in De Revisor verschenen. Tot 1978 was zij alleen bekend door pop- en poëziekritieken in De Volkskrant, en door het feit dat zij de poëtische nalatenschap van Chris van Geel beheert, met wie zij in zijn laatste jaren samenleefde.
Het gedicht dat ik aan het begin citeerde, is typerend voor de thematiek in Afstand: de tederheid, allerbinnenste kwetsbaarheid, ziet de uitweg afgesneden, – kanalen lopen dood. ‘Afgesneden’ en ‘doorgesneden’ zijn kernwoorden in Afstand:
‘De kwelling dat zij afgesneden / van ons bestaan’ (zij: levenden die gemist worden), ‘ondergronds bestaan / woekert nog nog steeds omhoog / en vindt geen weg dan een / die afgesneden is’ (resp. blz. 17 en 6).
Het is de tijd die afstand schept, de tijd die na het vertrek / de dood steeds doorliep. Voor die afstand in tijd gebruikt Elly de Waard in haar eerste bundel bovengesignaleerde kernwoorden.

Tijd is voor haar een scheidend element. Ruimtelijke dingen daarentegen doen in haar poëzie tijd vaak teniet: zonnestoelen op een terras blijken er nog precies zo te staan als toen, of ‘aan een knaapje aan de kastdeur / (hangt) het versleten witte hemd’. De ruimtelijke details roepen herinnering op. Herinnering is het teruggehaalde geïsoleerde moment. Op die manier schept herinnering de mogelijkheid tot detail en intensiteit die in normaal voortgaande, niet gestolde tijd bijna nooit te ervaren is, omdat de menselijke receptiviteit daarvoor tekort schiet. ‘Te zwak voor het geweld van het volmaakte / zijn wij alleen geschikt voor de herinnering’ (29).

Zo wordt afstand van noodlot tot iets dat creatief gewild en gewenst is: zij kan, paradoxaal, dichterbijhalen wat normalerwijs steeds verder vliedt. Vandaar dat afstand nergens dodelijk is in Afstand, maar de helderheid en lading bezit van wachtende velden in de winter, bedwongen en bevroren kracht. Het taalgebruik werkt dit in de hand: de bijna welige emotionaliteit komt vaak zeer cerebraal ingebed naar buiten. Oók afstandelijk werkt het spelen met woorden, met paradoxen (zie het eerst geciteerde gedicht na dit artikel), het vaak voorkomend gebruik van een Shakespeareaanse conclusio aan het slot van juist uiterst beeldende, allesbehalve abstracte gedichten. Bij voorbeeld na een gedicht over gras dat zich opricht: ‘Juist het ontbrekende te moeten dragen / onzichtbaar wegen is het zwaarste’ (38).

2

Een jaar later, in 1979, verscheen haar tweede bundel, Luwte. De gedichten hierin zijn, technisch gezien, zo mogelijk nog compacter. Toch komen ze vloeiender over. Ten dele komt dat doordat de zinnen die ik in Afstand ‘conclusie’ noemde, in Luwte bijna nooit meer op het einde van een gedicht staan, maar er glijdender in zijn verwerkt, vaak zelfs precies in het midden staan ingebouwd.

Twaalf uur – het is noen. Fazanten wedijveren
met het gelui van de abdij op afstand.
Later, in voller middag, is het stil
op duiven na die met hun 
zware lichaam ritselen in groen.

Soms hinderen stemmen niet, als ze maar ver genoeg zijn
en voorbijgaan, opgenomen in een algemeen verschiet
dat, nu het later wordt, meer ruimte laat aan vroeger.

Terwijl de zon daalt en het ruisen van de sparren aanzwelt
hoor ik het slaan van tennisballen, vol geraakt,

op het bemoste gravelveld.

(‘Luwte’, blz. 13)

De middenstrofe is gesteld in termen van algemeenheid, zeker in vergelijking met de eerste en derde. Die geven in akoestische termen een visueel beeld van noen en namiddag, ervaren vanuit het perspectief van een ik op afstand. In de omarmde middenstrofe, die de conclusio bevat, refereren ‘ver genoeg’ en ‘later’ aan ‘op afstand’ en ‘later in voller middag’ uit de eerste. Het ‘ruisen van sparren (dat) aanzwelt’ en ‘het slaan van tennisballen, vol geraakt’ in de derde strofe hernemen weer het akoestische element in de vorm van niet-hinderende geluiden. Bovendien is ‘Terwijl de zon daalt’ een omschrijving van het ‘later’ in een en twee. Het is heel organisch zo. Door al die omarmende herhalingen komen (stemmen in) ‘algemeen verschiet’ en vooral ook ‘meer ruimte… aan vroeger’ geïsoleerd te staan. Ze krijgen het volle accent, en vormen daardoor juist de elementen die na lezing in het hoofd blijven hangen, (tussen haakjes ook hier weer ruimte als voorwaarde voor herinnering, ruimte versus tijd).

Nog organischer zijn de gedichten waarin de conclusio bijna impliciet gemaakt wordt: ‘Veroverend wat je bezit zoek je naar wat je vindt: / de afdruk van een lichaam dat door de zeewind / werd gehangen in de wolken boven land- / soms zijn het ribben, soms de knoken van een hand’ (30). De bijna-spreekwoordvorm van ‘Veroverend… vindt’ wordt van zijn aanvankelijke algemeenheid ontdaan door de precisering die erop volgt. Het aforistische ontsluit hier meer dan dat het afsluit.
De laatste fase in dit proces kan de lezer zien in het achter dit artikel opgenomen gedicht Vijver. Daarin zijn tweede en derde strofe zowel conclusieachtig als deel van het beeld. Men kan ze gewoon lezen als voortzetting van dit ene anekdotische geval ‘karper zwemt in vijver’ én als algemeenheid, losser van dit beeld, in zijn algemenerheid in de hand gewerkt doordat de subjecten van strofe twee en drie abstracter van aard zijn dan dat van de eerste strofe.

De thematiek in Luwte is verschoven. Nog steeds is er afstand: ‘het meest nabije is onbereikbaar’. Nog steeds ook: ‘wat bleef is de herinnering, een vlucht van zien’ (resp. blz. 15 en 30). Maar er is daarnaast heel sterk sprake van wachten op iets waarvan nog geen vorm duidelijk zichtbaar is: ‘Onverdraaglijk te moeten wennen / aan de komende voetstap van een onbekende. / Welke deuren staan er open op het waaien / en slaan onregelmatig in de nacht / zonder toegang te bieden, zonder uitzicht?’ (12). Dezelfde houding van wachten vertonen de natuurelementen die zij beeldend opvoert. ‘Dezelfde weg die wij samen gingen’ en die zij nu alleen gaat, is ‘losgeraakt van het bos, de zoom van het veld’, verschuift stilliggend naar belendend terrein. ‘Lippen van het water’ spitsen zich verlangend naar de hemel boven zich. ‘Schaduw biedt zijn raadsels aan, / wakker in rust’.
De paradoxen en woordspelingen uit de eerste bundel maken hier plaats voor lyrische omschrijvingen van een mentaal rustiger soort.

3

In 1980 publiceerde Elly de Waard Westers, vertalingen van gedichten van de negentiende-eeuwse Emily Dickinson. Een hels moeilijke opgaaf. Dickinson’s gedichten laten een vertaler nog geen lettergreep ruimte, ze zijn uiterst geconcentreerd. Daar komt bij dat haar Engels die overvloed van onbeklemtoonde syllaben niet vertoont die het Nederlands nu eenmaal nodig heeft voor meervoudsuitgangen, lidwoorden, voorzetsels, genitief- en datiefomschrijvingen. Nederlands op zich doet dus al af aan Dickinsons Engels. En op een of andere manier doet haar taal abstracter aan dan in het Nederlands ooit voorkomt, denkelijk o.m. door haar negentiende-eeuws hoofdlettergebruik in combinatie met weglating van het lidwoord. Vergelijk voor dit alles:

‘The Notice to the startled Grass
That Darkness – is about to pass –

Aankondiging aan het geschrokken Gras:
De Duisternis – verhaast zijn pas.’

Maar binnen het kader van het bijna onmogelijke zijn er toch veel knappe dingen geleverd, vooral in Dickinsons latere verzen, waar de lading het gaafste is behouden. De Waard heeft met Dickinson de hang naar het abstracte gemeen, dat wordt toegelicht aan het heel concrete.
4

Verbazing en verrassing dan ook bij de bundel die in 1981 verschijnt: Furie.
Liefdesgedichten everywhere. Alles in het teken van de liefde, de verliefde, de geliefde. Renaissance bij uitstek.
Afstand heeft nu kennelijk afgedaan, furie veronderstelt onstuimige nabijheid. Meestal vertonen dichtersloopbanen de omgekeerde lijn: van liefdesgedichten naar ‘hogere’ vormen van levenservaring en abstractie. Ik vroeg haar dat, verrast. ‘Ik voel mij in mijn jongelingsjaren’ was het antwoord – waarover dient te worden nagedacht.
Thema van Furie:‘passie die door inknotting, verrukt ervaren tegenwerking, condensering alleen maar nóg intenser, en feller woedt. Liefdes bezetenheid als bezieling, inspiratiebron’ (het negatieve wraakelement van ‘furie’ is van veel later datum en hier niet van toepassing).

‘Verbazing over hoe intens
Deze processen kunnen zijn zonder geluid te maken.

Water dat zich beslaat – zwetende fles!

De mijne zoeken zich in woorden kwijt te raken – 
Klinkend condens.

Eenzelfde mateloosheid, ingeperkt, en aangepast aan wie zó wordt liefgehad, spreekt uit ‘Het liefst was ik…’ dat na dit artikel voluit wordt geciteerd. Ochtend, middag, avond, ieder dagdeel kent in Furie eigensoortig verlangen naar die ene die er meestal niet is, of, indien wel, terughoudt, weigert. ‘Je mond, die toegang geeft tot je gezicht, / ontkent in zwijgen zijn ontvankelijkheid’, ‘je stond mij toe, maar slechts ten dele – / Gescherpt door honger zijn mijn lippen nog / Gaver dan mijn geweten gebleven’.

Liefdesverlangen komt hooguit verstolen aan haar trekken. Bij het eerste citaat van de twee hierboven hoort: ‘O die verscholen bloeien zijn de beste, / Niet die zich koesteren aan de drukte van een weg / Maar die de zeewind heimelijk over hun verborgen vruchten laten gaan’.

Ik liet daarnet even, zo in het voorbijgaan, het woord ‘renaissance’ vallen. De gedichten uit Furie hebben iets uitgesproken renaissancistisch, en niet alleen door de specifieke, hierboven omschreven benadering van onvervulde erotiek. Strofen als:

‘Liefste, die mijn bestaan bekort
Door het kloppen van mijn hart zo te versnellen’ 

herinneren regelrecht aan Hooft:

‘Maar ’t schijnt verlangen daer sijn naem af heeft gecreghen,
Dat jck den Tijdt, dien jck vercorten wil, verlang’.

Het is vooral de aard van de paradox die hem dat doet: de literaire verrukking om het gestyleerde verlangen op zich, de beminde die vaag blijft, vaag moet blijven, alleen mond, ogen, contouren van een begeerd lijf, de minnaar die in langgerekt verlangen de vluchtende nymf beweent, bezingt alsof hij niets anders te doen had. Furie wemelt van dat soort literaire paradoxen, chiasmen en woordspelingen:

‘En zich bewust dat het geluk daar
Ligt waar het zich verlaagt (..)

Bonzend geraakt, geknield, sacraal, infaam –
Zoals je mij bezielt, ik jou belichaam -’
en:
‘Je naald heeft, in balans, getrild
En hangt nu, hoogst gevoelig, stil –
O wuft geluk dat je mij geeft:
Aan je gewaagd te zijn geweest!’

Hooft is een goede vergelijking, zelfs in het wederzijds bezielen en belichamen, – maar beter nog is het deze poëzie te vergelijken met de Elisabethean Poets: Donne vooral, maar ook Carey, George Herbert, Drayton. Hetzelfde cerebrale bedwingen (en aanvuren!) van passie, hun spelen met woorden, gewaagde toespelingen, paradoxen in de beste trant van Shakespeare, de voor die dichters zo karakteristieke mengeling van irreële aanbidding en godinnelijke afstandelijkheid, verwoord in bijna abstracte taal, en toch gecompliceerd en verwarrend nabij. Het opwindende en verwarrende gevoel waarmee ik ruim een kwart eeuw geleden bovengenoemde renaissancisten las, verwarrend door hun gestyleerde hoogspanning aan erotiek in cerebrale, bijna maniëristische maskerade, datzelfde gevoel krijg ik, verrast, bij lezing van veel gedichten uit Furie, en op vergelijkbare gronden. Alleen geen sonnetten hier, zover gaat De Waard niet, maar zelfs elegieën ontbreken niet.
Het gemak ook waarmee Engelse poëten van hooggestemdheid naar de meest uitgesproken
trivialiteiten konden switchen (Henry Carey had daar een handje van, ‘She’s the darling of my heart, and she lives in our alley’), datzelfde switchen bij Elly de Waard:

‘Dat van mijn voeten tot de hoogste lucht
Ik om jou zucht

Terwijl je naast die ander staat –
Dat maakt me kwaad!’

Is deze hele imitatio in moderne taal- en strofevormen een allervermakelijkste speelse verhulling? Een andere en meer gemaniëreerde wijze van afstand nemen? De mistress wordt met teveel vuur belaagd dan dat de lezer dit voor 100% gelooft. De zeventiende-eeuwse elementen worden hier toch wel uitermate overtuigend en organisch gebruikt. Zelfs de ‘ik-vereeuwig-jou-door-mijn-gedichten’-gedachte ontbreekt niet. In ruil voor eindelijke overgave biedt de ik in Furie het lief eeuwig voortleven:

‘Ach, sta mij eenmaal toe
Mij aan je uit te drukken, vorm geeft wat raakt –
In ruil voor deze overgave
Word ik tot wie je onsterfelijk maakt’

Furie alleen de richting van neo-renaissancisme in te schuiven, is eenzijdig. De gecondenseerde en gepassioneerde weemoed van Emily Dickinson is evenzeer aanwezig. Vier- en zesregelige gedichten in Furie tonen een thematiek en een woordkeus die rechtstreeks aan de vertaalde voorgangster doet denken, de korte uitgebalanceerde vorm verhevigt die indruk:

‘In de lege kamers van het hart
Bonzen de stappen van wie het verliet –

Gestage tred over het naakt plankier
Ontsluit de gang naar het infarct’.

Soms ook ervaar ik ineens Bloem in Furie (‘Is wat de opdracht is van elke dag aan elk voor zich / De tijd te doden tot wij sterven’). Maar ook in Luwte troffen mij al reminiscenties aan deze dichter (‘zoeter dan leven is de dood / maar aan dezelfde grens gebonden’).

Imitatie van poëzie uit 17e en 19e eeuw, echo’s van Bloem, neo-renaissancisme, neo-classicisme, maar zeer twintigste-eeuws en zeer eigenzinnig De Waard, dat zijn nogal heterogene elementen. Naar mijn gevoel heeft zij ze bijeen kunnen brengen en verwerken tot een heel organisch en heel eigen-aardig verband. Ik vind het hoogst interessant wat er in Furie gebeurt. Mij boeit het zeer, en niet alleen cerebraal, of omwille van het literaire experiment. Maar in mij resoneren dan wel jaren en jaren literatuurgeschiedenis, ambtshalve.

*****

Het missen van de levenden
is misschien vreselijker toch
dan van de doden, want onzeker.

De kwelling dat zij afgesneden
van ons bestaan, voedt nog een hoop
die zich niet doden laat zolang zij leven.

(Afstand)

*****

Gevoel – is de concreetste kracht,
Het is inconsequen
Te doen alsof je een abstract
En niet een lijfelijk wezen bent.

Mijn ‘masculiene overtuigingskracht’
Stuit af op je Vestaalse pantser –
Immuun voor wat ik wil
Houd je je maagdelijk in mijn macht.
Ach, sta mij eenmaal toe
Mij aan je uit te drukken, vorm geeft wat raakt –
In ruil voor deze overgave
Word ik tot wie je onsterfelijk maakt.
(Furie)

*****

Het liefst was ik een emir die je naar believen
Kon ontbieden, maar je dwong mij, liefste,
Tot het eunuchschap.
Van alle paradoxen is de wreedste deze:
Castratie om te kunnen leven,
Mijn hartstocht op jouw maat gesneden –
Door een teveel aan liefde als een kat
Te moeten worden afgestraft.
(Furie)
*****
VIJVER
Fluweel gemarmerd water,
fluwelen karper ademt.
Hoe hoger de zon stijgt
hoe meer er aan het licht komt
van dit schaduwrijk.
Totdat weerspiegeling
zich mengt met dieper zien.
(Luwte)
*****
Dit artikel verscheen in Ons Erfdeel, Jaargang 24 (1981)
Bij herlezing kan ik niet anders dan een grote waardering opbrengen voor de nauwgezetheid van deze bespreking en de verrassende juistheid van de inzichten met betrekking tot de poëtische traditie waarin ik sta. Een stuk als dit is nog nooit over mij geschreven en inderdaad, ik zie mijzelf óók als een volstrekt ‘eigen-aardig’ dichter, een opmerkelijke eenzaat kortom!
EdW
Geplaatst in Afstand, Furie, Luwte | Een reactie plaatsen

VENUS CONJUCT DE MAAN

De avondster hangt
als een schitterend gewicht,
een fonkelsteen aan een

onzichtbare draad –
peillood naar de nachtelijke
helderheid en staat –

onder de maan, die
houdt zij als de slinger
van een klok in evenwicht.

Gedicht: Elly de Waard, Anderling

Geplaatst in Algemeen | Een reactie plaatsen

DE OPDRACHT

Een immense kalfskop ligt
geslacht op de hardblauw
gedekte tafel; uit kassen
van zijn ogen gutst een
schitterend licht dat ook
van tussen zijn tanden dampt
in stralen. De Rembrandt van
de lucht uit het lachende
geslacht van de Stratocumulus
Vesperalis! Gebogen

over onze dromen als over
boeken lezen wij de verste
hoeken van onze geest. Ons
bewustzijn is een vlies, een
doek dat binnen het raamwerk
van ons lichaam gespannen staat
tussen twee universa, het
inwendige en dat van buiten.
Het holografisch geheim van
hun wisselwerking uit te zoeken.

Gedicht: Elly de Waard, Een Wildernis van Verbindingen

Geplaatst in Een Wildernis van Verbindingen | 2 Reacties