MATINS | DE WITTE NARCIS

 

De zon schijnt;  bij de postbus, bladeren
van de gespleten berk, gevouwen, plat geplooid als vinnen.
Daaronder, holle stengels van de witte narcissen,
            Ice Wings, Cantatrice; donkere
bladeren van het wilde viooltje. Noah zegt
depressieven haten de lente, onbalans
tussen de binnen- en de buitenwereld. Ik maak er
een ander geval van – gedeprimeerd zijn, ja, maar in zekere zin
hartstochtelijk gehecht aan de levende boom, mijn lijf
feitelijk gekruld in de gespleten stam, bijna in vrede
          in de avondregen
bijna in staat te voelen
hoe het sap tintelt en opstijgt: Noah zegt dit is
een vergissing van depressieven, zich vereenzelvigen
met een boom, terwijl het verheugde hart
door de tuin zwerft als een vallend blad, een beeld voor
het deel, niet het geheel.

 

Gedicht: Louise Glück, The Wild Iris
Vertaling: Elly de Waard

Noot: Noah is een van de drie personen aan wie deze bundel is opgedragen

Geplaatst in Algemeen | 2 Reacties

METTEN | DE STILTE VAN DE OCHTEND

 

Vergeef me als ik zeg ik hou van u: de machtigen
worden altijd belogen aangezien de zwakken altijd
gedreven worden door paniek. Ik kan niet houden van
wat ik me niet kan voorstellen en u onthult
feitelijk niets: bent u als de meidoorn
altijd hetzelfde ding op dezelfde plaats,
of bent u meer het vingerhoedskruid, onbestendig, eerst
opspringende roze piek op de helling voorbij de madeliefjes,
en het jaar daarop  violet in de rozentuin? U moet inzien
dat dit voor ons nutteloos is, deze stilte die geloof bevordert,
u moet alles zijn, het vingerhoedskruid en de meidoorn,
de tere roos en het taaie madeliefje – en wij moeten denken
dat u onmogelijk kunt bestaan. Is dit het
wat u wilt dat wij denken,  verklaart dit
de stilte van de ochtend,
de krekels die hun vleugels nog niet over elkaar wrijven, de katten
die niet vechten in de tuin?

 

Gedicht: Louise Glück, The Wild Iris
Vertaling: Elly de Waard

Geplaatst in Algemeen | 5 Reacties

IDA GERHARDT | DE ZOMEN VAN HET LICHT

 

In 1979 kreeg Ida Gerhardt de Meesterschapsprijs van de Maatschappij voor Letterkunde en in 1980, als eerste Nederlandse dichteres, de P. C. Hooftprijs. Misschien dat de creativiteit van deze ruim zeventigjarige iets te maken heeft met die late waardering van haar werk. In korte tijd verschenen in elk geval drie bundels: Het sterreschip (1979), Dolen en dromen (1980) en nu De zomen van het licht, haar beste sinds jaren.
In 1980 kwamen bovendien haar Verzamelde gedichten uit. In de jaren daarvóór lag er gemiddeld vier of vijf jaar tussen het verschijnen van haar bundels. Zo werd Vijf vuurstenen, de bundel vóór Het sterreschip, in 1974 gepubliceerd; in het openingsvers hiervan noemt de dichter als een van de stenen die haar zijn meegegeven om vuur uit de taal te slaan: „Het ongeëerd zijn in uw eigen land.”

Weerstand en zelfs tegenstand kunnen voor een dichter vormgevende elementen zijn. Ze dwingen degene, die de moed heeft niet bij de pakken te gaan neerzitten, zich zo sterk mogelijk te maken. Maar tegenwind is alleen in beginsel gunstig. Is de vorm eenmaal gevonden — en dat is bij Ida Gerhardt eigenlijk al sinds Het levend monogram (1956) het geval — dan is men meer gebaat bij andere omstandigheden om verder uit te kunnen groeien. Een ontvankelijk klimaat is voor een schrijver even belangrijk als voor welk levend wezen ook. Van hóeveel belang die waardering voor deze dichter is, maken verschillende verzen in De zomen van het licht duidelijk. Hun titels spreken haast voor zichzelf: „Toen Holland antwoord gaf” en „Poëta Laureatus” I en II. In het eerste is sprake van verbijstering: „Dat mij dit nog gewerd: / van mijn werk de late erkenning”; en in de beide andere van een groeiende bescheidenheid met betrekking tot het kunnen schrijven: „O raadselachtig woord: ik taal ernaar —” en „Gij weet zij zijn niet van mijn hand”, waarin van het uiteindelijk verworvene zelfs geheel afstand wordt gedaan.
Toch zijn het niet de concrete mededelingen over de late erkenning die benadrukken hoe belangrijk deze voor de dichter was. Dat spreekt veel meer uit de lichtere toon, de toegenomen speelsheid en de grotere directheid die zij zich nu lijkt te kunnen permitteren.
Er is sprake van een laten vieren van de bij Ida Gerhardt ook in metrisch opzicht altijd strak gespannen teugels.  Dat was in Dolen en dromen al het geval, waardoor dit zich nu veel duidelijker als een overgangsbundel laat karakteriseren.
Dolen en dromen is één lang vers met een toon die vaak aan Nijhoffs ‘Awater’ doet denken, maar de inhoud ervan is grilliger, willekeuriger en ook speelser dan die van het strak gebouwde meesterwerk van Nijhoff. Het bood Gerhardt de gelegenheid haar meesterschap in het „blank verse”, al eerder in korte gedichten en in de vertaling van Vergilius’ Georgica bewezen, op een lang en ook in de breedte (de jambische vijfvoet) werkend gedicht te laten zien.
In poëtisch-technisch opzicht behoort Ida Gerhardt tot de meest vooraanstaande dichters in het Nederlandse taalgebied van dit moment „Niets onthult de zwakheden van een dichter zozeer als klassieke poëzie, en daarom wordt die op zo’n grote schaal ontweken,” zegt Joseph Brodsky in zijn artikel over Anna Achmatova (Maatstaf, jan. 1983). Als we de Nederlandse poëzie onder verdelen in twee stromingen, die van de experimentelen en die van de klassieken, dan behoort Ida Gerhardt tot de laatste richting. En daarbinnen is zij met Elisabeth Eybers tot het meeste in staat.

In De zomen van het licht vormt “Bij dag en nacht” een nog beter voorbeeld van rijmloos metrisch parlando dan Dolen en dromen omdat het vers, hoewel iets minder lang, een veel grotere eenheid heeft. Het gaat over de droom („die vreemdeling, die met de toverkap, / die omgaat in de mens bij dag en nacht”), over lerland, het werk en de ouderdom en verwoordt vaak zeer direct de dagelijkse dingen van de dichter. Uitweidend over een droom, die zij vlak vóór de invasie in 1945 had van de slag bij Salamis, naar Aeschylus’ beschrijving in De Perzen, zegt zij:
„Eens, ons een inzicht openend terloops, / zei Leopold: ‘de namen-symphonie.’ / Met bijna zwijgen heeft hij mij destijds / na afloop van de les, toen ik iets vroeg, / tot het besef gebracht van het geheim / der woorden. Zonder aarzeling. Zeggend nog / terzijde, bij het afgaan van de trap: / ’toen waren vers, muziek, en dans nog één; / begrijpt zij wel?’ En wendde zich.”
De dichter Leopold, die Ida Gerhardts leraar oude talen was aan het Erasmiaans gymnasium in Rotterdam, is voortdurend in Gerhardts werk aanwezig, maar hij treedt in deze bundel pas met naam en toenaam op de voorgrond. Zo staat er in het gedicht over het vertalen van het verhaal van Odysseus en de Cycloop:
„Voor een jong en gespitst gehoor / vertaalde Leopold het voor, / boek IX van de Odyssee — / ‘die mij het oog heeft uitgeblind.’ / Ik was nog onbeproefd, een kind.” 

Uit De hand van de dichter, over Ida Gerhardt van M. H. van der Zeyde wisten we al hoeveel indruk deze passage, die Leopold „als tractatie” op de laatste dag voor de vakantie in eigen vertaling voorlas, maakte. Uit deze korte biografie weten we ook dat Leopold het schoolkind, net als de weinige anderen met wie hij een voorzichtige vriendschap sloot, van zich afstootte, toen zijn met zijn doofheid groeiende argwaan pathologische vormen aannam. Deze ongetwijfeld traumatische gebeurtenis vindt zijn weerslag in het vers „Tweespraak” met regels als, “Ik ken u — en ik ken u niet,” „Gij, die mij onverhoeds verried,” “Die Leopold zijt. — En ook niet”.
IdaGerhardt brengt het haar door Leopold onthulde „geheim der woorden” in deze bundel verschillende malen in praktijk. Onder andere in “Musisch II” over een op muziek verliefde hagedis:

Daar waar het stenen trapje is,
brokkelig, en nog géén voet breed,
huist in een schemerige spleet
muziekverliefd de hagedis,
die komt als ik een wijsje fluit

en zit gespitst op het geluid:
reptiel dat, roerloos, hevig leeft.
In prachtbrokaat, smaragd met goud,
fonkelend jong en eeuwen oud;
of Orpheus hem betoverd heeft. 

Wiens kloppend keeltje bijna faalt,
wiens kleine hart het nauwelijks haalt
als het wijsje komt, en rijst en daalt,
dat hij voor altijd uitverkoos.
Hoor! ‘daar was laatst een meisje loos.’

Ook in „Voorjaarsmorgen,” waarvan regels als „Het dak ontwaakt, de muren krijgen oren” bewijzen dat zij elders de waarheid spreekt als zij zegt dat zij zich uiteindelijk op Shakespeare’s Songs verlaat. Of op een enkele regel van Vasalis. 

De geschiedenis van de poëzie speelt in dit werk altijd een rol. De namen Homerus, Sappho, Leopold, Achterberg, Vergilius of Vasalis dienen zich steeds aan, maar in deze bundel is de poëzie op de meest levendige wijze vertegenwoordigd. Zo flitst Bredero nog even op de schaats voorbij in „Winter onder Schellingwoude”, op weg naar het wak dat de aanleiding tot zijn dood zal worden: ”grauw, verbeten. — Door die éne / ongenaakbaar afgewezen”.
En het oude Nederlandse lied „Schoon lieveke, waar waarde gij” is voor de dichter door de als kind verkeerd begrepen ondertekening „ANON” (is: Anoniem) aanleiding tot een reeks fraaie beschouwingen. 

„Bij Plato’s Phaedrus” levert, in tegenstelling tot wat deze titel misschien zou doen verwachten, een prijs op voor openingsregels met de meeste vaart

„Crux in de tekst. — Ik faalde als tolk. / Een zoon van Schoklands poldervolk,/ die steevast uren voor óns uur, / bij dauw zijn vaders koeien molk, / vond een briljante conjectuur: / de strakke woorden schoten vuur.”
En „Het symposion” bevat de vondst dat de koppen van Socrates en Verlaine op elkaar lijken.

Het wonder van Ida Gerhardts dichterschap is niet eens in de eerste plaats haar techniek, maar veeleer haar vitaliteit en daar neem je haar soms archaïsche taalgebruik bij op de koop toe. Die hoort nu eenmaal bij haar. Dat doe je ook met zulke gedichten als „Anno 1982″ I en II, over partnerruilende paren en abortus-artsen, die ontstaan zijn uit morele verontwaardiging – van oudsher een slechte inspiratiebron voor poëzie.
Liever wijs ik nog op een paar gedichten die tot de beste van deze bundel behoren en die allemaal in dat onnavolgbare „blank verse” of halfrijm geschreven zijn. „Na de vloed” kan zich, met zijn strand-, licht- en vogelsymboliek meten met het allerbeste uit haar hele werk; „Herfst aan de Schelde” is een geheimzinnig verhaal over schepen, een logement aan de haven, water en vreemde talen, waaromheen de adem van „Moby Dick” hangt; en tenslotte de zeer navrante begin- en eindverzen „Grensgeval” I en II. Daartussen ligt de hele bundel ingeklemd, ze hebben de ouderdom en de naderende dood tot onderwerp. 

ELLY DE WAARD
De Volkskrant, 11 maart 1983

 

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie

VESPERS / AVONDZANG

 

In uw verlengde afwezigheid, staat u mij
gebruik van aarde toe, mij die uitgaat
van enige opbrengst van investering. Ik moet het mislukken
melden van mijn gunning, hoofdzakelijk
wat betreft de tomatenplanten.
Ik denk dat ik niet aangemoedigd moet worden om tomaten
te kweken. Of, indien wel, dan zou u de zware regens
moeten binnenhouden, de koude nachten die hier
zo vaak langskomen, terwijl andere streken
twaalf weken zomer krijgen. Dit alles
valt onder u; aan de andere kant:
ik plantte de zaden, ik zag de eerste scheuten
zich als vleugels uit de grond scheuren, en het was mijn hart
dat brak door de meeldauw, de zwarte vlek die zich zo snel
vermenigvuldigde in de rijen. Ik betwijfel
of u een hart hebt, in onze opvatting van
die term. U die geen onderscheid maakt
tussen de doden en de levenden, die dientengevolge
immuun bent voor duiding, u mag dan niet weten
onder hoeveel kwelling wij gebukt gaan, het bevlekte blad,
de rode bladeren van de esdoorn die zelfs al
in augustus vallen, in een vroeg donker – ik ben verantwoordelijk
voor al deze stengels.

 

Gedicht: Louise Glück, The Wild Iris
Vertaling: Elly de Waard

Geplaatst in Algemeen | 5 Reacties

OP WEG!

 

De aarde breekt het lichaam binnen
het tijdloze maakt ruimte in de geest
brengt het vergeten binnen
botten beginnen

zich als planken te gedragen
het levend hout hebben wij achter ons
gelaten, de spieren leggen zich
als nerven in de planken neer

Zo maken wij ons deze eigen
die zes, waarbinnen wij zullen verdwijnen
wanneer de geest weer ruimte is
en het lichaam terug is in de aarde

 

Gedicht: Elly de Waard, Cyclisch II
Beeld: Biesvelden Natuurkisten

Geplaatst in Proeven van Moord | 3 Reacties