IN WINTERNACHTEN

De sparretakken
zijn stijve

beverstaarten
een waas van rijp

ligt op de naalden
zo vluchtig of

de adem
van een haas

er is blijven
hangen; zo’n beetje

als bevroren
adem aan

behaarde wangen
en duizendmaal

het snorren van
snelle vleugeltjes

in de winterlucht
– het dak

van het allene
huis waarin

de dichter dicht
en zucht is met

zilver van maanlicht
bespannen

Uit:Eenzang

Geplaatst in Eenzang | 1 reactie

VORST!

Hoe de wind het vriezen op sleeptouw
neemt, zich uitdost met de kou,
de witte veren van zijn helm
op ramen print, ze blind
drukt.

Hoe uit vloeren als van een paleis
de vorst, als de wind gaat liggen
plotseling als een kolom
zo onverzettelijk op
rijst

met stucwerk tot aan het plafond.
Een ophaalbrug van ijs
is neergelaten op het raam
aan twee bevroren spinnedraden
en op de kraan

schittert de zon een bontmuts
van kristal.
Wij krimpen
van de kou, de ouderdom misschien
al, maar vooral de helderte
van het overzien van al.

Uit: Onvoltooiing

Geplaatst in Onvoltooiing | 3 reacties

Als wij elkaar zo ver en draadloos…

Als wij elkaar zo ver en draadloos tussen ons verstaan
ontmoeten onze kussen
elkaar dan midden op de oceaan?

Ons spreken sneller dan het licht
dat immers tijd verliest
met om de ronding van de horizon te gaan?

Je bent niet in mijn armen maar aan
mijn oor alleen
mij meer nabij gevoeld dan ooit –

zo vreemd om te bedenken dat ons onteigend woord
in onbekende verten door ons
onbekende golven wordt gevoerd.

uit:Furie

Geplaatst in Furie | 1 reactie

GORTER

Gorter,gij, aangekomen op een helder
onbewoonbaar eiland, schipbreukeling
die stand hield op een brug
kapseizend en als wrakhout afgedreven
en alle anderen verlieten zee en u

Achtergebleven zit gij stil te schrijven
en aan uw zijden wapperen de rode vanen
Trouw bleef u zonder compromis
uw idealen, want u ging het alleen
om zuiverheid, van een idee en poëzie

Van cadmium lekken de bossen

Geplaatst in Van Cadmium Lekken de Bossen | 1 reactie

J.H. LEOPOLD OP GRAN CANARIA

Jij balling uit Europa, eenzame
die je geluk niet vond, noch

in de liefde wederkerigheid,
van eigen taal, eigen klimaat

verstoten, dichter, als ik
je toevlucht zoekend onder het volk

van de Exoten; die je verpozing
vindt in het voorzichtig

dringen over het strand tussen
de menigten die elke taal

onder de zon doen spreken; en
uitziet met die velen over

de leegte van de zee, waar koele
winden rond het middaguur

gaan spelen; in dit kalm
Babylon, aan deze wereldrand, een

archipel in de oceaan –

terwijl men thuis aan het haardvuur
zit of schaatst of tegen de regen

schuilt, lig jij hier naakt en slaapt
onder de maan of trekt je plank

behendig over de omklappende
golven heen van wat hier branding

heet en verweg ligt Europa
altijd onder wolken

diep verzonken in zichzelf;
maar opgeheven door de hoogste lucht

zijn wij in het transparante
afgedreven van bijna Afrika

de zandwoestijn, Sahara, de
subtropen

Uit:Eenzang

Geplaatst in Eenzang | 3 reacties