DIVINA COMMEDIA

Soms meet ik mij het oog
aan van de wereld en bezie
wie ik niet ben

Vervolgens naai ik mij
het oor aan van de wereld
waardoor alles wat ik hoor
mij bij de neus neemt

Blijft mijn mond nog over
om te zeggen wat ik vind
en wat ik wil, maar mijn lippen
blijven als verzegeld stil

Tot mijn keel in lachen
uitbarst, niet te stuiten
om het onwaarschijnlijke
verschil

 

Afbeelding: Dante, uitziend over de Louteringsberg
Gedicht: Elly de Waard, De aarde, de aarde

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie

EEN HAAST ONNATUURLIJK GROEN

 

Een haast onnatuurlijk groen

in zon oplichtend tussen het ondoordringbaar
schaduwrijk van bomen

met onder wolken onbelicht gehouden
hellingen daaromheen

zoals de late zomerzon in vroege ochtend
al haar schuw licht werpt

in de kale luwe stammen die een veld
omzomen – het donkere

loof erboven blijft zo donker als het was – zo
als een nest, een hut

van warmte, een beschutting
opent zich jou aanwezigheid, zoals die

uit mijn slaap is meegekomen
– als tot een plek

die beurtelings leeg is of gevuld
van licht en hitte stralend of van missen

makend gek

 

Beeld: Bernd Webler, Dark thoughts
Gedicht: Elly de Waard, Het zij

Geplaatst in Algemeen | 3 Reacties

ACHTER DE DUINEN SMEULT EEN DUISTER VUUR

Achter de duinen smeult een duister vuur
dat plotseling een net van druppels aan de struiken doorlicht.
Haveloze ruigte, slordige kracht van bloei.

Op de tuintafel liggen dorre bladeren
achteloos als beduimelde speelkaarten
overgebleven uit een ander seizoen.

Het huis draagt een vermolmde goot waaronder stenen
als een vijver opgeklaarde lucht na regen
spiegelend raamglas houden ingelijst.

Onder dit oppervlak straalt leven,
warm geel licht, groen van planten, rood van boeken –
in onherbergzaamheid gebleven intimiteit.

 

Foto: eigen foto
Gedicht: Elly de Waard, Afstand

Geplaatst in Algemeen | 3 Reacties

Gebeurt dat tegenwoordig nog wel eens? Dat dichters voor de gein (of in ernst) op elkaar reageren in een gedicht? De afstand tussen de dichters-generaties is tegenwoordig zo groot. De jongeren kennen de ouderen niet meer en omgekeerd. Ik beschouw dat als achteruitgang. De poëzie is één groot geheel, één corpus en interactie daarbinnen is zinvol.
Andreas Burnier behoorde tot een oudere generatie, maar onze omgang was hartelijk, respectvol en gebed in humor.
Dit sonnet schudde ze uit haar mouw naar aanleiding van mijn hieronder afgedrukt gedicht.

BERICHT VAN BAKKUM

Mijn hart gehesen zeil ik uit,
Het ook als vlag in top
En strak en sierlijk voert het mij
Naar jou voor wie het klopt.

Jij bent het die mijn hart beweegt,
Naar jou beweegt het mij,
Voor jou dat ik mijn schip besteeg,
Aan zee stapte ik op.

En als er, starend op het strand
Van Kijkduin voor je blik
Een vuurrood zeil uit zee opdoemt
Zijn het mijn hart en ik.

 

Handschrift: Andreas Burnier

Geplaatst in Algemeen | 3 Reacties

IN MEMORIAM MIJN VADER

Er is geen leidende gedachte, geen betekenis,
ik laat mij schrijlings drijven op mijn schrift
dat zich van regels tot in drup
van punten grift…

Het water rept zich ruggelings naar zee
die zelf weer stroomt en van haar deining leeft,
zij heeft geen doel, zij voert niets met zich mee,
het is haar reis die telt en die geen einde heeft.

Ruimte is woest en ledig, maar de tijd
heeft zich verfijnd in al zijn eindigheid.
Het verleden groeit en onze toekomst is ver heen,
verweesd besef dat zich van ruimte heeft vervreemd.

Dood sloeg hem, trof hem, midden op de dag,
de vuist die zich in onze ribben balt, het hart,
werd zelf geraakt met een directe slag,
dood trof hem in het midden van het hart.

Dood is geen wezen, het is een proces,
omwoelde naald van tijd die tol betaalt aan ruimte,
de boot is stuurloos en wij hebben geen kompas,
ons frêle leven kent allang geen haven meer.

Het kraken van de balken onder vorst
wrikt een seconde uit het uurwerk los
van tijd en op de witte stranden van mijn bed, mijn ledigheid,
heeft het getij een menigte van dingen afgezet:

post, boeken, een laatste sigaret,
schelp van een asbak, het is eb,
ook in het seizoen, de kou vriest
scherpe randen aan ontberingen van nu en toen.

Het spoor waarlangs ons leven loopt
bestaat uit parallellen
van wat onverhoopt zich aan ons voordoet,
het gaat er om ze te herkennen.

In elk geval een vreemdeling
is deze nacht, van wie de mantelzomen met
elektrisch licht zijn afgezet
en uit zijn zakken steekt herinnering.

De kaarsen tillen een smal span
onder het gewicht waarvan zij slinken,
van voedend licht gaan zij voorgoed
tot het altijd hongerige duister in.

De adem van de schepping reikt
tot ver voorbij het leven heen,
soms concentreert zij zich tot geest,
dan blaast zij zich in stof weer uit.

Een grilligheid is zij, een capriool,
er is geen troost, er is geen zin
dan deel te nemen aan die scheppingsdrift
en mee te scheppen tegen alle klippen op.

Wie weegt de woorden, wie
ijkt het gewicht, waarnaar het wegen
van die schaal wordt afgericht? Patriarchaal?
Ik zoek een taal, niet vaderlijk, maar volks

en door Latijn geadeld: Moedertaal.
En langs mijn keukenraam zeilt hoog en donker
een cipres, over de oceaan die buiten is
trekt hij de nachtelijke stilte aan.

En niemand wil, als hij het mocht,
een ander leven dan het zijne of
een andere tijd en niemand wil
het ook ooit overdoen, hoe dierbaar

hij ook denkt dat het hem lijkt,
en wie het spijkerschrift van sterren leest
en niet bij machte is het te vertalen
in hiëroglyfen van de menselijke geest

haast zich alleen als uitgestorven dieren
in wolken langs de horizon nog
naar zijn ondergang, maar het is dezelfde lucht
boven Hoogovens of Hoechst

waarin bij avond zich verheft
een purperen Nikè.
Het schisma van de wisseling blijft ongeheeld
en aangetreden aan die grens staan tot

ver zichtbaar in het verleden
andere figuren, allen dood.
En in de heldere, haveloze nacht
wil ik er uit en ik sta op.

Ik was het zweet dat ik vergoot
op je begrafenis, vader, uit mijn hemd,
denk aan mijn eigen dood,
god weet hoe weinig ver nog.

En zij, van wie ik houd en die nog leeft,
zij knielt en ik kijk op haar hoofd
terwijl ze mijn manchetten knoopt –
ik ben al groot.

 

 

Foto: Joyce Sips, Strand Castricum, november 2017
Gedicht: Elly de Waard: Strofen, In memoriam patris

 

 

 

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie

ALLERZIELEN EN DE DOOD IS NOOIT VER WEG

 

Dat ik zo ver lijk afgeraakt van dood
is schijn – het zand dat op de kist
gestort de sporen wist
en het water van de zee dat wast
de over haar oppervlakte uitgestrooide as
veranderen niets aan wat er was:
de dood zal van nature bij mij zijn.

En als ik sterf zal dat vervulling zijn
beloftes inlossing, volmaakte koppeling
de dood die identiek gemaakt is aan de dood –
zo waar als wat vergeten wordt
zo diep als het op kleur gewonnen zwart
dat rood gezien heeft van wat leeft
en terugkeert naar de moederschoot.

 

 

Beeld: Frederique van Rijn, El Jordi
Gedicht: Elly de Waard, Furie

Geplaatst in Algemeen, Furie | 7 Reacties

HET ONHERINNERBARE

De droom die ik zoëven
had, werd afgedekt al
door de dag; een lichtflits
van een beeld schoot er
doorheen en liet mij achter
met de pijn van iets
dat net nog was beleefd
en nooit meer
te herinneren zou zijn

Het gevoel dat bij iets
voorgevallens hoort
kan het niet stellen zonder
beeld of woord, zonder het
houvast van een vorm
gaat het verloren
op wat het meer is van
zichzelf in de stille storm
van alledag –

 

Beeld: Gabriele Viertel, Anna
Gedicht: Elly de Waard, Anderling

Geplaatst in Algemeen | 4 Reacties
Pagina 1 van 5312345...102030...Minst recente »