TOEN IK JONG WAS

 

Toen ik jong was werd ik gekweld
door het idee dat ik een reus was die
op lemen voeten liep en ik was bang
dat het formaat dat ik in mij voelde

door een slecht klimaat of teveel tegen-
slag de kans niet krijgen zou zich waar
te maken. Dan strompelde ik door het duin
naar het verlaten strand en wierp mij

op de knieen in de nu eens kalme
dan weer ruwe branding van de enige
grootheid die voor mij bestond: de Noordzee

en ik smeekte haar om de kracht om uit
te kunnen groeien tot wie ik was, een
die haar voorkeur volgend het verste komt.

 

Gedicht: Elly de Waard, Het Heterogeen
Beeld: Eigen foto

Geplaatst in Algemeen | 2 Reacties

PERSOONLIJKE EIGENAARDIGHEDEN

Als ik bezoek heb of een feest
ga ik graag ook altijd even
het donkere buiten in om van
een afstand te beleven hoe 

het is; ik voel mij een passant
die wordt getroffen door het warm
en stralend licht en stil blijft staan
en die ervan geniet als van een

oude Italiaanse film of die er
een herinnering in ziet aan iets
dat vroeger prachtig is geweest –
Vol van die indruk keer ik terug

in huis, waar ik nog niet gemist
was, om daar nu volledig mee
te doen en op te gaan in het
om mij feestelijk gedruis.

 

Gedicht, 2019, ongepubliceerd
Beeld: Eigen foto

Geplaatst in Algemeen | 4 Reacties

DE WIND EN IK

Ik wilde het ongerepte
Wilder, maar dichterbij vooral
En trachtte de wind te winnen
Voor mijn plannen, hem voor ze in
Te spannen, hij die met leven
Is behept – het in zijn wangen
Draagt en blaast en blaast; die altijd
Zwanger gaat en baart en op de
Spierbal van zijn paradox alles
En allen laat bewegen. Ik

Bokste tegen hem op, hem die
De tijd die ik tot stilstand wilde
Brengen opschort en elk moment
Dat ik verlengen wil verkort.
Ik koos hem tot mijn opdracht, tot
Mijn evenknie, die mij soms
Uitgebannen hield, dan weer op
Handen droeg, het was hem alles
Om het even. – Zo lang, zo lang
Geleden, o nog niet lang genoeg.

 

Gedicht: Elly de Waard, Een Wildernis van verbindingen
Beeld: Iris Le Rütte, Daphne in de Wind
Foto: Arnhemsmeiske

Geplaatst in Een Wildernis van Verbindingen | 10 Reacties

HOOFSE BRIEF AAN EEN DAME

MEVROUW,

Ik weet dat u naar mij keek; ik heb u naar mij zien kijken.
!k hoef u er niet aan te herinneren dat dit tijdens de gezongen hoogmis van afgelopen zondag was.
U zat naast uw man op de derde bank van voren en ik heb u meerdere malen naar mij om zien kijken. Misschien vroeg u zich af wie ik was, misschien kende u mijn gezicht van een foto of anderszins, misschien had men u mij beschreven.
Na de mis heb ik mij achter u aan gehaast en hoewel u snel in de gereedstaande auto was verdwenen, heb ik toch voldoende gelegenheid gehad om uw schoonheid te onderkennen.
Voor zover uw blikken dan al niet genoeg waren geweest, want die troffen mij zoals Petrarca misschien door die van Laura getroffen was. En sindsdien staat uw beeld mij voor ogen en lig ik te woelen in mijn bed.
Ik kan u zeggen dat uw schoonheid en langbenigheid bij mijn weten haar weerga niet kennen in West-Europa en dan bedoel ik inclusief Frankrijk en Italie.
Ook bent u gekleed naar mijn smaak, dat wil zeggen elegant, maar toch niet overdreven. ‘Understated’ zouden de Egelsen zeggen, maar het Engels is een zoveel minder mooie taal dan het Nederlands.
Een ongeoefend oog zou licht voorbij kunnen zien aan de zorg en de verfijning die er in uw kleding gestoken zijn; de wijze waarop zij op uw vormen is toegesneden; de smaakvolle kleurencombinaties; uw kousen; uw hakken. En dan: de wijze waarop u er in loopt!
Enfin, u weet dit alles zelf en het gaat dus niet aan u dit nog weer eens mede te delen, behalve dat eruit blijken mag dat ik het heb gezien.

Het kan nu zijn dat u zich afvraagt: waar haalt die blaag de moed vandaan? – maar ik ben een dichter, mevrouw, en schoonheid, de schoonheid van vrouwen in het bijzonder, is mijn vak.
Intussen wil ik er rond voor uitkomen dat ik u ook begeer. Ik zou niets liever doen dan mij dadelijk met u in de biechtstoel terugtrekken om de praktijk van het zondigen en de zonden van het vlees eens diepgaand met u door te nemen.
Maar ik zal het ook zeer waarderen – wat zeg ik? heel spannend vinden! – als u zich eerst enige tijd zedig en weigerachtig opstelt, zoals het een echte vrouw betaamt. U hebt daarbij een goed excuus. Van mannen bent u het immers gewend dat zij naar uw aandacht dingen, maar van vrouwen niet. U zult mij voorhouden dat u getrouwd bent, dat u zo niet bent, maar dit alles zal mij alleen maar des te meer prikkelen omdat ik onder uw steeds herhaalde weigering voel dat het idee om met een andere vrouw de liefde te delen u geleidelijk aan gaat beheersen. Totdat u op een dag zult merken dat uw nieuwsgierigheid – die moeder van alle ontdekkingen – is veranderd in verlangen.
Ik beloof u dat de tedere stormwind die in mij huist dan over u ontketend zal worden en dat u geen spijt zult hebben van uw avontuurlijkheid.

Maar laat ik niet te zeer op de zaken vooruit lopen. Ook al wil ik graag alle geheimen die uw schoonheid verborgen houdt onderzoeken en kennen, ik wil eerst uw stem horen, uw ogen van nabij zien, uw gebaren ondergaan.
Ik moet u iets bekennen. Ongeduld is mijn slechtste eigenschap, maar haar keerzijde, de onstuimigheid, beschouw ik helaas als een deugd. En omdat ik er maar niet toe kan komen deze deugd, en dus ook deze ondeugd, in mijzelf te verwerpen – omdat ik zelfs van ze houd – berokkenen ze mij vaak veel schade omdat ik ze, door hun aard, natuurlijk slecht beteugelen kan.
Hebt u dus, lieve mevrouw, geduld met mij. Laat u niet door mijn driestheid uit het veld slaan. Ik kan u verzekeren dat als u zich door mij laat veroveren, u mij al snel aan uw voeten zult vinden!
Stel integendeel tegenover mijn onbesuisdheid uw heimelijkheid. Schrik niet terug voor mijn hartstocht. Help mij juist die in te tomen.

Maar wil mij nu wel onverwijld laten weten of het u schikt om aanstaande donderdag bij mij de thee te komen gebruiken, ter eerste nadere kennismaking.

Ten luchtigste uw dichter

 

Geplaatst in Algemeen | 7 Reacties

BIOGRAFISCHE NOTITIES 4


NRC/Handelsblad 22-02-1986, Hollands Dagboek

Elly de Waard is dichter en medeoprichter van de Anna Bijns Stichting, die morgen het Anna Bijns Benefietfeest, tevens het Eerste Vrouwen-Boekenbal, viert in het Concertgebouw te Amsterdam. De opbrengst van dit feest komt ten goede aan de tweejaarlijkse Anna Bijns Prijs (10.000,00 gulden) voor een auteur ‘die in haar (of zijn) werk naast literaire kwaliteiten blijk geeft van een specifiek vrouwelijke stem’. 

Donderdag

Dronkaards, vandalen en rokkenjagers, zo werden laatst de dichters omschreven die in Westminster Abbey begraven liggen. En daar begint het al aardig op te lijken, nu ik met teveel drank op ’s nachts van de weg gehaald werd en in een cel opgesloten. Ik reed zo langzaam dat het de politie begon op te vallen.
Maar nu hoor ik over deze escapade toch alarmerende berichten. Ik had de bloedproef moeten weigeren, etc. etc. Bij een hoog promillage zou ik niet alleen mijn rijbewijs kwijt kunnen raken, maar ook nog echt in het cachot kunnen belanden.
Pikant detail hierbij is dat ik kortgeleden nog in de jury voor een poëzie-prijsvraag voor gedetineerden zat!

Het weekblad De Tijd is net verschenen en Andreas (Burnier) belt dat ze zich kapot heeft gelachen om de kolom van Renate Dorrestein, met name de passage over de brand in het gordijn van Het Concertgebouw, die door mijn persoon alleen gedoofd werd, omdat ik anders mijn Bijns-feest in rook zag opgaan!

‘s Avonds schrijven Dor(restein) en ik de teksten voor onze presentatrices.
Mevrouw Manteau belt om me in te seinen over de interviewer die mij zondag voor de BRT te wachten staat. En dat ze onze brief met verzoek toe te willen treden tot de eerste Anna Bijns-prijs-jury heeft binnen gekregen.
Ze doet het.

Rokkenjagers, schreef ik pas. Maar ik heb de laatste weken geleefd als  een kluizenaar. Alleen met telefoon en papieren. Dus roep ik Haar op. Gelukkig komt ze meteen.
“En beeft als hete lucht bij uw genaken…”

Vrijdag

De theorie dat voetballers geen seksueel verkeer mogen hebben voor een wedstrijd, daar zit toch iets in. De hele ochtend dromerig, ja sloom. Ik denk na over de overeenkomsten  tussen een avond in het Concertgebouw ontwerpen en een gedicht schrijven. Het is allebei organiseren, het ene met mensen en hun bezigheden, het andere met woorden en hun betekenissen. In beide gevallen gaat het er om er een zo rijk en gevarieerd mogelijk geheel van te maken.

Het vriest al geruime tijd en Ik hak de vijvers in de tuin open.
Zonder rijbewijs zal het hier, zo ver van de bewoonde wereld, niet gemakkelijk zijn. Ik zal een paard moeten kopen om naar Albert Heijn te kunnen. Misschien moet ik het ook zo zien dat ik nu door de wet weer gedwongen wordt tot een bestaan van lopen en stilte. Van gedichten.
De Chinese bontmuts, die mijn oudere zuster-vriendin Renate Rubinstein voor mij meenam uit Peking komt goed van pas, nu ik naar Terneuzen moet om voor te lezen. Op het veer van Kruiningen ontmoet ik de beide andere dichteressen, Neel (Min) en Jana Beranova. Neel heeft het postkoffertje en de handschriften bij zich, die ze voor onze veiling afstaat.
Het is opnieuw een met veel drank besprenkelde avond. Gelukkig zijn we te voet. Iemand wil een van mijn bundels kopen. Van het geld kan ik meteen het gezelschap weer een rondje geven.

Zaterdag

Ons dichterlijke gezelschap verschijnt getroffen door zware katers aan het ontbijt. Alleen Neel en ik schijnen er geen last van te hebben. Intussen is het wel veel te laat om nog bij de repetities van het Anna Bijns-stuk aanwezig te kunnen zijn. Ik bel en hoor dat Elise Homans prachtig is als de oude Bijns en dat alles loopt.
Meteen door naar Antwerpen.
Onze Anna Bijns wandeling (het ‘Anna Bijns-loopje’) uitzetten, dat we willen gaan verkopen. Alles voor het goede doel.
Keizerstraat 56 wordt verbouwd, maar ik mag er in. De gevel is al eerder gerenoveerd. Binnen de zachte zestiende eeuwse stenen en het verpulverd metselwerk, dat nu bedekt wordt met nieuwe stuc, betast. Er is geen twijfel aan, dit is “De Patiëntie” met zijn nauwe kamers. Hier werden de gedichten geschreven.
“Het Roosterken”, nummer 59, schuin er tegenover, blijkt net gesloopt.
Ik blijf lang staren in het gat en naar de oude muren er achter. Woonarcheologie.
Grote Markt 46, “De Kleyn Wolvinne”, het geboortehuis, is ook gerenoveerd en recentelijk verder verminkt tot de snackbar A-Go-Go. Pikant om er frieten met stoofvlees te bestellen.
Alleen de verhoudingen zijn nog middeleeuws. Maar ook nu zit er een jonge vrouw te schrijven. Onverstoorbaar vult haar regelmatige hand de pagina’s van een groot schrift.

Brussel.  Deze Grote Markt geeft mij een sensatie die ik eerder had bij het betreden van de kathedraal van Gent: haar koele strafheid, haar leegte en het zwart-wit van haar in de avond glimmende kasseien snijden mij even de adem af, zoals het brut van een champange dat kan doen. Het strakke omhoog gerichte van de bouw, het reiken naar de vrieshelderte erboven. Achter een van haar gevels lig ik die nacht veel wakker.

Zondag

Om kwart voor tien in de BRT-studio.
Alida Neslo, een van de presntatrices van het Anna Bijns-bal, komt rechtstreeks uit Parijs, waar ze zich alvast voor het bal heeft laten kappen. Spannende uitzending. Twee uur lang bakkeleien over de vrouwelijke stem. De interviewer kan het niet zetten dat hij niet wint. Het nadeel van dit gehakketak is wel dat ik vergeet het over onze leuke avond te hebben. En dat terwijl Monika van Paemel er onder meer aan meedoet.

Op de terugweg langs Helga in Dordrecht. Hoeveel trekhaken kunnen wij uit het plafond van de Grote Zaal laten zakken?
Wij tellen de minuten: Mathilde Santing, Jenny Arean, Anne Clark.

Het is een dag van taxi’s en treinen, treinen en taxi’s, maar eenmaal thuis voel ik mij moederziel alleen. De uil zit mij vanuit de cypres in mijn verlichte keukenkamertje te observeren. Zijn belangstelling stijgt als ik op een stoel klim om naar het vriesvak te vliegen. De koelkast staat boven op het aanrecht namelijk. Ondanks zijn uitzonderlijke gezelschap overvalt mij een diepe melancholie bij de gedachte dat ik alleen in huis ben met het lijkje van een eindelijk gevangen muis in de eetkamer.

Ik overpeins dat van de dichters die ik ken of kende Jan Hanlo en Yossif Brodsky in elk geval ook in de nor gezeten hebben. Amy (Clampitt) natuurlijk niet. En Ida Gerhardt nog minder. Robert Lowell wel, gelukkig. Prozaschijvers hebben geen temperament. Geen roekeloosheid. ‘In machtige jeugd vurig en waanzinvol…’
De bezadiging der dagen heb ik nog niet bereikt.

Maandag

Niet vergeten deze week een extra smokinghemd te kopen, zodat ik tijdens de avond, als dat nodig is, kan wisselen. Vanaf vandaag zijn de kaarten ook gewoon aan de kassa van Het Concertgebouw te koop. Misschien dat de honderden gesprekken die er dagelijks op Dor’s antwoordapparaat staan er nu wat door afnemen.
Dor, Meul, Tuyll en ik, wij zijn net de vier musketiers, maar daar weid ik later nog wel eens over uit.
Met Karin Bloemen en Adelheid Roosen naar Andreas Burnier om de details van hun gezamenlijke act te bespreken. Ik loop na afloop te schudden van het lachen om de confrontatie van verschillende werelden die daarbij plaats vindt.
Het lachen vergaat mij echter wel als ik Karin, toch al veel te laat, naar haar radio-opname wil brengen. Accu leeg. Lichten zijn aan gegaan bij het uit de auto stappen. Karin duwt de wagen, op haar hoge hakken, met behulp van een mannelijke passant. Ze hijgt nog na als ik haar afzet. En tien minuten later zal ze alweer in een lied moeten uitbarsten!

Uithijgen is er voor mij ook niet bij. Thuis een interview en een fotograaf voor wie ik in de vrieskou in mijn smoking in de tuin moet poseren.
En de jurken van Fong Leng zijn nog niet verzekerd! En kan ons logo – Anna Bijns die haar tong uitsteekt – nog op het doek voor het orgel?
Even na middernacht doven opeens alle haarden. Het gas is op. Verzuimd tijdig bij te bestellen. Ik ben ongeschikt voor het bestaan.

Dinsdag

Aan de telefoon opeens een heel andere kant van het bal: wat doet Zij aan? Een bericht uit de wereld van tailles, lijfjes, kleine en grote décollete’s, lange rokken en strapless bh’s.
Ik moet Frits Spits bellen omdat ik voor zijn Avondspits in de huid van Anna Bijns moet kruipen. Hij zal feitelijke vragen stellen. Moeilijk. Als dichter heb ik geen geheugen voor feiten.
Mijn moeder komt ‘s middags helpen voor het avondeten. Het is de laatste Anna Bijns-vergadering voor het bal en in de bestuurs- en medewerksterskelen zullen zeker vier kilo van mijn eigengebakken patatten verdwijnen. De lust van dit bestuur naar mijn frieten is ongekend.

Bij binnenkomst het bekende, oorverdovende gekrakeel. De tientallen dingen die gebeurd zijn vliegen heen en weer over tafel. Het programmaboekje is er. Het is prachtig!  De badge is er. Het is een bijzonder sfeervolle en ontspannen avond, al worden er intussen nog heel wat zaken op en rij gezet.  En het eindigt zowaar voor middernacht.

Er is nog tijd voor een potje halma. Ik win aan een stuk door. Zegt ze dat ze me heeft laten winnen, omdat ik dan beter ben in bed!

Woensdag 19 februari 1986

Renate Rubinstein gebeld. Ik wil dat Annie Schmidt en zij op de eerste rij zitten. Zij: ‘Annie kan niets meer zien en ik eigenlijk alléén nog maar zien! Wat moeten wij daar nu?’
Ik zeg dat er twee chauffeuses – mét pet – de hele avond gereed staan om ze op te halen en weer weg te brengen. Zaterdag krijg ik uitsluitsel.

De jurken van Fong Leng zijn eindelijk verzekerd.
Ook haar bijdrage aan de veiling is nu bekend.
Hoeveel acts ik nu al niet door de telefoon beluisterd heb! Die van Erna (Sassen), het finalelied – op een tekst van Annie Schmidt – door Fay Lofsky en Karin Bloemen en nu weer Karin en Adelheid samen met een Provo-lied rond Andreas Burnier! Ik heb zelden zoveel gelachen aan de telefoon.

De VARA zal het hele bal registreren. De volgende morgen zit er al een ruwe montage in Hoor Haar. De week daarop een interview met Remco Campert als enige officiële mannelijke deelnemer. En ga zo maar door. Een laatste bespreking over en met onze veertig vrijwilligsters, die Anna Bijns-cocktails zullen uitschenken, veilinggelden ophalen, broodjes uitdelen en zenuwachtige schrijfsters zullen apaiseren.

En nu nog eens iets heel anders: zij komt mij haar jurk showen.
Als een windvlaag door fijn gebladerte, zo klinkt haar lopen.

 

***********

Voor het eerst gepubliceerd in de rubriek Hollands Dagboek, NRC/Handelsblad van 22 februari 1986
Foto: Diana Blok

Foto hier onder, oprichters en bestuur Anna Bijns Stichting in de jaren tachtig: v.l.n.r. Renate Dorrestein, Caroline van Tuyll, Anja Meulenbelt, Elly de Waard
Zie voor meer het onderdeel Anna Bijns Stichting op deze website

De avond in het Concertgebouw bracht ruim 80.000,00 gulden op, voldoende voor de uitreiking van diverse prijzen. Korte tijd later kregen wij via oud-minister Til Gardeniers nog een grote schenking van het Erasmianum. In de negentiger jaren heeft een nieuwe generatie vrouwen-bestuurders het doel van de prijs veranderd – het werd van de eerste Nederlandse Prix Fémina gedegradeerd tot een doorsnee prijs voor vrouwen – en niets meer verder gedaan dan het geld opmaken.
De Anna Bijns Prijs en de stichting zijn in 2016 vervolgens opgeheven.

 

Geplaatst in Algemeen | 2 Reacties