GORTER

Gorter, gij – aangekomen op een helder
onbewoonbaar eiland, schipbreukeling
die stand hield op een brug
kapseizend en als wrakhout afgedreven
en alle anderen verlieten zee en u.

Achtergebleven zit gij stil te schrijven
en aan uw zijden wapperen de rode vanen.
Trouw bleef u zonder compromis
uw idealen, want u ging het alleen
om zuiverheid, van een idee en poëzie.

Elly de Waard, uit:Van Cadmium Lekken de Bossen
Foto boven: Herman Gorter, 1924
Foto onder: Herman Gorter, 1885

 

Geplaatst in Algemeen | 1 reactie

DE DAGEN HOUDEN NIET OVER…

De dagen houden niet over
van zichzelf, ze zijn te heet
en er wordt niets met mijn twee handen
omgesmeed; pas onder de sterren

in de smidse van de nacht, die
in een vonkenregen is verstard
flonkert de maan, Hefaistos’ laatste
werk, in de scherven op de muur

als vuurvliegen en vleermuizen
fladderen af en aan, bedienden,
de donkere vloer van het zwerk
vegen zij aan en het stroompje

kabbelt er kalm de krullen uit,
een koele bedrijvigheid, pas
in aandachtigheid opgemerkt;
ik voel mij helder nu en sterk.

 

Gedicht: Elly deWaard, Anderling

Geplaatst in Anderling | 6 Reacties

NEELTJE MARIA MIN / TOEN EERST

 

Gisteren kreeg ik het eerste exemplaar uitgereikt van een heel mooi boekje, Toen Eerst, jeugdtekeningen van Neeltje Maria Min. Een hele eer.
Neel en ik kennen elkaar al vanaf de schoolbanken en de oerversie van de vermaarde Eerste Bergensche Boekhandel – die nu dit boekje uitbracht en waar het feest van de presentatie plaats vond – vormde voor ons in onze jeugd de toegang tot de Nederlandse literatuur. Je had geen geld om boeken te kopen en moest er lang voor sparen.
Van mijn kwartje zakgeld per week een boek van 8,50 bij elkaar sparen, zoals ik in 1958 deed voor de eerste bundel van Chris van Geel, Spinroc en Andere Verzen, was een hele opgave.
En zo bezochten we de boekhandel alleen al veelvuldig om alvast wat te lezen in de boeken waarnaar onze belangstelling uitging. Gelukkig kreeg ik op een bepaald moment een baantje, het helpen schoon maken van Slagerij Grooteman, waar ik elke zaterdag 2,50 mee verdiende. Toen ging het een stuk sneller.

Neel wordt morgen 75 en de uitgave van haar tekeningen, waarvan niemand wist dat ze die – en zoveel! – ooit gemaakt had, diende tevens om dit heuglijk feit te vieren.

Ik vervolg nu met het toespraakje dat ik gisteren hield nadat ik het boekje in ontvangst genomen had, waarbij Neel niet nagelaten had mij te wijzen op de tekening die ze indertijd had neergepend van “Moeder De Waard met haar twee oudste dochters”! 

Lieve Neel,

De grond, de vloer, waarop wij hier nu staan, hebben wij al in de jaren vijftig betreden.
Dat is zestig jaar geleden. Dit was toen de geheimzinnige, donkere boekwinkel van de broer en zus Romeny, vol boeken, opschrijfboekjes ‘met roestplekjes van de spiralen’ – om jou te citeren -, inkt en pennen.
In zo’ n boekje heb jij de tekeningen gemaakt die nu gepresenteerd worden.
Zelf heb ik nog steeds een pot inkt en de kroontjespennen die ik daar in de uitverkoop, toen de Romeny’s met pensioen gingen, heb gekocht. Vriendelijke mensen waren het, die bezorgd reageerden als je op blote voeten de winkel in kwam lopen.
Het waren de jaren dat wij de artistieke hangjongeren van het dorp uithingen en onze vaste hangplek was de door ons zo genoemde Mekboom, (‘ mekken’, kletsen, was dat niet verzonnen door Ger Polak?), het is de herinneringsboom die hier vlakbij op de hoek van de Hoflaan en de Dorpsstraat staat.
We brachten allebei onze lagere schooltijd door bij de zusters Ursulinen, toen een zeer grote aanwezigheid in het dorp. Het kloosterterrein strekte zich uit van de Loudelsweg tot aan de Nesdijk en zij hadden honderden mensen in dienst. Maar dat wisten wij toen niet, wij waren als de meisjesschool van de zusters van de wereld afgesloten door een muur om ons schoolplein met een mooie poort erin.


Er was nog een smalle poort in een heel andere hoek van het plein en het was verboden om die te openen. Daar kwamen de zusters door ’s morgens op weg naar school. Een heel enkele keer mochten we daar in klasverband doorheen om in het benauwde bioscoopzaaltje van de nonnen naar opvoedkundige films in zwart-wit te kijken over onderwerpen als veeteelt en kaas maken. Dit was alleen al spectaculair doordat we dan een zeer kort kijkje kregen in het inwendige van het grote kloostergebouw, dat los stond van de meisjesschool.
Spectaculair was het ook als de kapelaan godsdienstles kwam geven, niet vanwege zijn verhaal, maar omdat wij meenden dat hij een gouden pen had, iets dat als een lopend vuurtje door de klas ging! En ook wanneer er stagiaires van de eveneens door de nonnen gerunde kweekschool voor onderwijzeressen les kwamen geven. Alles, ja alles wat die deden en zeiden was aanleiding tot opwinding en gegniffel.
Jij zat bij mijn zus Annemarie in de klas (die al snel door mijn ouders naar de Bosschool werd overgeheveld vanwege het te ouderwetse nonnen-onderwijs) maar ik, van dezelfde leeftijd ongeveer  als je zus An, heb de zes jaar vol gemaakt.  In de winter brandde er een grote zwarte kachel achter in de klas, die met kolen gestookt werd.
Jullie, Annemarie en jou, kon het nog overkomen dat je in de derde klas de juist uit de Kongo teruggekeerde missiezuster Werenfrida voor het bord kregen, donkerbruin verbrand gezicht binnen de hagelwitte kap!
Jij was vervolgens met An de eerste die Chris van Geel leerde kennen, die net gedebuteerd was met Spinroc en Andere Verzen. Ik deed dat pas een paar jaar later.

Is het niet prachtig dat we vandaag op deze plek samen komen om je 75ste verjaardag te vieren met een uitgave van de tekeningen die je toen maakte met de inkt en pennen die je hier zo lang geleden kocht? In wat nog steeds de Eerste Bergensche Boekhandel is, alleen moderner, groter en heel veel lichter?
En dat het misschien ook de inkt was waarmee je je eerste gedichten schreef?
En is het niet heel bijzonder te bedenken dat dit dorp, dat ruim een eeuw lang zoveel dichters heeft aangetrokken en geherbergd  – als bezoekers of als bewoners  – van Gorter en Roland Holst tot en met Van Geel en Lucebert – ons beiden als eerste hier geboren dichteressen heeft voortgebracht?
Ik wens je een prachtige verjaardag toe. 

Tekeningen Neeltje Maria Min, Toen Eerst
Het boek, met een inleiding van Adriaan van Dis, is te verkrijgen via www.eerstebergenscheboekhandel.nl
Tekst Elly de Waard

Geplaatst in Algemeen | 5 Reacties

DE JONGEN DIE VIEL

 

17 juli 2019, bij de herdenking van de ramp met de MH17, die vijf jaar geleden plaats vond

 

Wie was ik voor ik viel? Mijn voet
verloor, mijn hart, mijn oor
wie was ik dan hiervoor?

Was ik al dood? Hoe het ook zij
niets is zo anders dan het mij
dat instapte en vloog

Wat ik ooit was verschilt
zozeer van wat van mij
de grond zocht weer

Mijn hand gelegd op wie
ik nooit zag toen ik mijn
eerdere zelf nog was

Zijn eenzaam been staat rechtop
in het koren, vertel dit toch
aan wie het wil horen

Vertel het aan wie het moet weten
mijn mond staat te wijd open
om te kunnen spreken

als mijn ogen die verstarden
in wat zij zagen – wie was ik
voor ik viel? Ben ik al dood?

 

Gedicht: Elly de Waard, uit: In die Tijd die
Tekening: Nils Holgerson

Geplaatst in In die tijd die | 1 reactie

LUXOR


Zo mooi en transparant als het landschap
is, verheven zelfs, luchtspiegeling
die losjes wortel schoot in aarde –
Fata morgana deze oase, aquarel

van farao’s, aan werkelijkheid
verliezend met het verdampen van de Nijl,
het aanwassen van de Sahara –
Een flauwe walm van licht hangt over

de stad bij nacht, gesluierd schijnsel dat
uit tenten afkomstig lijkt – elektriciteit
aan olielampen gelijk.
Een zeldzame regen moddert aan op deze

dag in de aarden stegen waar het
stinkt naar kamelen, maar het glanzen
van het alom tegenwoordig gele
geheimzinnige zand aanwezig blijft.

Ik zou graag slapen in dit bedekte
lichte, mijn bed de rug van staande,
museale leeuwen; hun staart waaiert
mijn benen koelte toe, hun kop vervult

mijn hoofd met eeuwen. En wiegend op een
geur van wierook bij het nooit ververste
zwembad baltsende kalkoen, zijn kreet
doorrijgt mijn dromen en verbindt

het hier met toen: het vroege schreeuwen
van pauwen in de koele verten van
een hertenkamp, de sierlijke, kapotte
palmen, die bestoven zijn met zand.

 

Dit gedicht uit mijn bundel Van Cadmium Lekken de Bossen, is opgedragen aan Kees Verheul, door en met wie ik dit voor mij zo exotisch vreemde Egypte leerde kennen. In Bergen N.H. waar ik ben geboren, woonde ik als kind en opgroeiend mens vlak bij het Hertenkamp.

Geplaatst in Algemeen, Van Cadmium Lekken de Bossen | 3 Reacties